Hoe een gerucht over Oera Linda tot historische werkelijkheid werd
Over Jan Gerhardus Ottema wordt al jaren een dramatisch verhaal
verteld. De Leeuwarder classicus, die in 1872 de eerste volledige
uitgave en vertaling van het Oera Linda-boek verzorgde, zou
uiteindelijk hebben ingezien dat hij door een negentiende-eeuwse
vervalsing was misleid. Zijn reputatie was gebroken, zijn levenswerk
ingestort. In 1879 zou hij zich daarom hebben verhangen.
Het is een verhaal met bijna literaire perfectie: de geleerde die
zich koppig aan een illusie vastklampt, uiteindelijk de waarheid
onder ogen moet zien en daaraan bezwijkt.
Alleen blijken de bronnen zich niet naar dat verhaal te gedragen.
Wat met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat Jan Gerhardus
Ottema op 19 maart 1879 in Leeuwarden overleed. De officiële
overlijdensregistratie bevestigt datum en plaats. In de door Nico
Luitse geraadpleegde Leeuwarder gegevens wordt als doodsoorzaak
longontsteking vermeld. Luitse nam dat reeds in 1990
op in zijn Dossier Oera Linda Boek. Open
Archives
Daarmee zou de zaak eenvoudig kunnen lijken. Toch is het
interessanter om na te gaan waar het andere verhaal vandaan komt,
want juist daarin zit een leerzaam voorbeeld van historische
beeldvorming.
Ottema vóór Oera Linda
Ottema was geen zonderling die uit het niets door een geheimzinnig
manuscript werd meegesleept. Hij werd op 1 december 1804 in
Doetinchem geboren, studeerde letteren, promoveerde in 1828 op
Sophocles’ Antigone en werkte vervolgens tientallen jaren
als classicus en docent. Hij was conrector in Harlingen en later in
Leeuwarden en speelde langdurig een actieve rol binnen het Friesch
Genootschap. DBNL
Volgens Nico Luitse, die Ottema’s werk en correspondentie
uitvoerig bestudeerde, produceerde Ottema naast zijn vertaling
verschillende afzonderlijke studies over het Oera Linda-boek. Hij
maakte afschriften, verzamelde woorden en werkwoordsvormen en werkte
aan grammaticale analyse. Zijn publicaties gingen onder meer over
geschiedenis, taal, geografie, paginering en de kritiek die tegen het
handschrift werd ingebracht. Fryskednis
Dat alles bewijst uiteraard niet dat Ottema gelijk had over de
ouderdom van het handschrift. Een geleerde kan nauwgezet werken en
zich toch vergissen. Maar het maakt wel verschil voor de manier
waarop zijn geschiedenis behoort te worden verteld.
Een contemporaine waardering komt van de Groningse hoogleraar
Petrus Hofstede de Groot, die na een bezoek aan Cornelis Over de
Linden verklaarde dat het een geluk was dat het handschrift bij
Ottema terecht was gekomen. Hij noemde hem eerlijk, geleerd en voor
zijn taak berekend. Fryskednis
Nog in september 1878, een half jaar vóór zijn dood, werd Ottema
bovendien opnieuw gekozen als bestuurslid van het Friesch
Genootschap. Het jaarverslag na zijn overlijden herinnerde hem als
een buitengewoon ijverig bestuurslid dat vrijwel nooit bij de
wekelijkse vergaderingen ontbrak. Dat past moeilijk bij de latere
voorstelling dat hij tegen het einde van zijn leven maatschappelijk
volledig was ingestort en door iedereen was verlaten. Fryskednis
Zijn laatste bekende brief
Nog belangrijker is Ottema’s eigen stem.
Op 3 januari 1879, slechts ongeveer tien weken vóór zijn
overlijden, schreef hij aan Leendert Floris Over de Linden. In die
brief blikt hij terug op het voorafgaande jaar. Over de discussie
rond Oera Linda schrijft hij niet dat hij twijfelt of verslagen is.
Integendeel: volgens hem waren hij en Over de Linden met hun laatste
publicaties aan het laatste woord gekomen en waren de bestrijders tot
zwijgen gebracht.
Hij formuleert het zelf kernachtig:
“In de wetenschap is dat veel, is dat de overwinning.”
Vervolgens bespreekt hij enthousiast een nieuwe vertaalkundige
ontdekking die hij in de tekst meent te hebben gedaan. Pas aan het
slot merkt hij op dat schrijven hem vermoeit. Oera
Linda Wiki
Dat laatste kan uiteraard wijzen op ziekte of verzwakking. Maar
uit de brief blijkt geen intellectuele capitulatie. Voor zover uit
het beschikbare materiaal valt op te maken, bleef hij begin januari
1879 overtuigd van de waarde en echtheid van het manuscript.
Wie wil beweren dat hij in de korte periode tussen deze brief en
zijn dood alsnog radicaal van mening veranderde, heeft daarvoor een
bron nodig.
En juist daar begint het probleem.
Van “volgens sommigen” naar een feit
In zijn proefschrift De Gemaskerde God uit 2004 schreef
Goffe Jensma over Ottema’s einde nog voorzichtig. Hij verwees naar
mondelinge mededelingen van Adriaan Lysen en Pieter Gerbenzon en
schreef:
“Volgens sommigen heeft Ottema uiteindelijk toch
ingezien, dat hij had gedwaald…”
Daarop volgde het verhaal dat Ottema met die waarheid niet verder
wilde leven en zich ophing. Fryskednis
Twee jaar later was de voorzichtigheid verdwenen. In Jensma’s
uitgave van Het Oera Linda-boek uit 2006 werd dezelfde
geschiedenis zonder dat voorbehoud verteld. Ottema zou in 1879
“uiteindelijk” hebben ingezien dat hij ongelijk had gehad, waarna
hij zich zou hebben verhangen. Fryskednis
Dat verschil tussen 2004 en 2006 was voor mij in 2010 aanleiding
Jensma rechtstreeks naar zijn bron te vragen.
Hij verwees aanvankelijk naar zijn proefschrift. Toen ik liet
weten de bewering nog steeds weinig geloofwaardig te vinden,
antwoordde hij dat hij zich baseerde op twee naar zijn oordeel
onafhankelijke bronnen en dat daarom van “geverifieerde informatie”
kon worden gesproken. Hij voegde eraan toe dat een eventuele
onjuistheid over de zelfmoord niets zou veranderen aan zijn algemene
conclusies over het Oera Linda-boek. Oera
Linda Wiki
Maar die twee bronnen waren Lysen, geboren in 1921, en Gerbenzon,
geboren in 1920. Beiden kwamen dus pas ruim veertig jaar na Ottema’s
dood ter wereld.
Dat betekent niet dat hun mededelingen waardeloos waren.
Mondelinge familie- en stadsoverlevering kan historische informatie
bewaren. Maar het maakt ze geen onafhankelijke ooggetuigenbronnen.
Twee personen kunnen bovendien dezelfde oudere overlevering hebben
gehoord. “Twee bronnen” is daarom niet automatisch hetzelfde als
twee onafhankelijk bevestigde lijnen van bewijs.
Dat was precies het punt van mijn antwoord aan Jensma.
De wezenlijke vraag: dood of inkeer?
Opvallend genoeg ging de correspondentie vervolgens grotendeels
over de vermeende zelfmoord, terwijl mijn belangrijkste bezwaar
ergens anders lag.
Ik schreef Jensma dat de vraag of Ottema zelfmoord had gepleegd
voor mij minder interessant was dan zijn beweerde meningsverandering.
Als werkelijk bekend was geweest dat Ottema vóór zijn dood de
echtheid van Oera Linda had verworpen, dan zou dat voor de hevige
discussie rond het boek buitengewoon relevante informatie zijn
geweest.
Waarom duikt zo’n cruciale herroeping dan pas meer dan een eeuw
later op?
Waarom is zij niet terug te vinden in de omvangrijke
negentiende-eeuwse discussie?
Waarom niet in de publicaties uit de jaren twintig en dertig, toen
opnieuw fel over Oera Linda werd gestreden?
En vooral: waar is de bron waarin Ottema zelf, een tijdgenoot of
een aanwezige zo’n ommekeer vastlegt? Oera
Linda Wiki
Jensma antwoordde dat Lysen uit een familiekring rond HaverSchmidt
kwam en dat beide informanten uit gegoede Leeuwarder milieus stamden.
Hij wees daarnaast op een brief uit 1876 van Hooft van Iddekinge aan
Jacob Dirks, waarin medelijden wordt uitgesproken met Ottema en de
schrijver betreurt dat deze in zijn “dwalingen” volhardt. Oera
Linda Wiki
Die brief is interessant. Hij bewijst dat de controverse Ottema
pijn kan hebben gedaan en dat sommige tijdgenoten hem als koppig en
verblind beschouwden.
Maar hij bewijst precies niet wat nodig is.
De schrijver zegt immers dat Ottema blijft volharden.
Dat is het tegenovergestelde van een bron voor zijn latere
herroeping.
Een onbekende bron over het sterfbed
Daar komt nog een merkwaardige latere bron bij.
In een tot dusver ongepubliceerd betoog, geschreven ergens tussen
1939 en 1949 en mogelijk van de hand van Eeltje Molenaar, staat een
passage over een zekere heer Menalda. Die zou namens personen die bij
Ottema’s sterfbed aanwezig waren hebben verklaard dat Ottema juist
tot het einde toe aan de echtheid van het Oera Linda-boek vasthield.
Volgens die tekst zou Ottema op zijn sterfbed uitdrukkelijk hebben
gezegd dat het OLB echt was. Fryskednis
Die bron moet voorzichtig worden gebruikt.
De auteur van het betoog is nog niet met zekerheid vastgesteld.
Ook de identiteit van de genoemde Menalda is nog onderwerp van
onderzoek. Bovendien is het verslag zelf tientallen jaren jonger dan
Ottema’s overlijden.
Het zou daarom verkeerd zijn om hiermee simpelweg het ene late
verhaal door een ander laat verhaal te vervangen.
Maar juist wanneer we dezelfde maatstaf toepassen die voor Lysen
en Gerbenzon werd gebruikt, ontstaat een probleem. Als een mondeling
overgeleverde mededeling uit de twintigste eeuw voldoende zou zijn om
Ottema’s inkeer als feit te presenteren, kan een
tegengestelde twintigste-eeuwse overlevering niet zonder onderzoek
worden genegeerd.
De correcte conclusie is niet dat deze sterfbedbron de zaak
definitief beslist.
De correcte conclusie is dat de vermeende herroeping niet
bewezen is.
En de zelfmoord?
Voor de zelfmoordclaim is het bronnenbeeld nog problematischer.
De Leeuwarder registratie die in het onderzoek van Nico Luitse
werd teruggevonden vermeldt longontsteking als doodsoorzaak. Luitse
kende dit gegeven al in 1990. De burgerlijke stand bevestigt dat
Ottema op 19 maart 1879 in Leeuwarden stierf. Fryskednis
Daartegenover staat geen tot dusver aangetroffen eigentijds
verslag van ophanging.
Toch begon juist dat dramatische element zich na Jensma’s
publicaties steeds verder te verspreiden.
In 2011 schreef wetenschapsjournalist Chris Reinewald dat Ottema
zich in 1879 verhing. In 2019 meldde de Leeuwarder Courant
dat hij een eind aan zijn leven maakte. In 2022 werd het verhaal
verder aangedikt: de discussie zou hem tot waanzin hebben gedreven en
na het besef dat alles verzonnen was, zou hij zich hebben verhangen.
In januari 2024 verscheen opnieuw in de Leeuwarder Courant
de mededeling dat Ottema zichzelf als gevolg van het Oera Linda-boek
van het leven zou hebben beroofd. Fryskednis
Zo ontstaat een merkwaardig proces.
Een mondelinge overlevering wordt eerst weergegeven als:
“volgens sommigen…”
Twee jaar later wordt dat:
“Ottema zag uiteindelijk in dat hij ongelijk had…”
Vervolgens wordt in secundaire publicaties:
“hij verhing zich”
aangevuld met:
“de discussie dreef hem tot waanzin.”
Hoe verder de gebeurtenis in het verleden raakt, hoe
gedetailleerder het verhaal wordt.
Dat is precies de omgekeerde richting van gezonde
geschiedschrijving.
Wat Jensma in 2010 zelf schreef
De correspondentie eindigde overigens minder vijandig dan uit
alleen de polemiek zou kunnen worden afgeleid.
Nadat wij het oneens waren gebleven over zijn werkwijze schreef
Jensma mij op 3 november 2010 dat hij mijn betrokkenheid bij het Oera
Linda-boek waardeerde. Over Ottema schreef hij dat wij het
waarschijnlijk eens waren over het tragische van diens geschiedenis.
Hij voegde eraan toe dat Ottema “een droom” had en dat hij, juist
vanwege Ottema, liever zou willen dat deze daarin had volhard. Oera
Linda Wiki
Dat is een opmerkelijke afsluiting.
Niet omdat Jensma daarmee zijn eerdere voorstelling introk — dat
deed hij niet — maar omdat zij laat zien dat de historische persoon
Ottema ook voor hem meer was dan een karikatuur.
Juist daarom verdient die persoon beter dan een goed klinkend
verhaal dat gaandeweg harder is geworden dan zijn bronnen toelaten.
Wat eerherstel wel en niet betekent
Eerherstel voor Ottema betekent niet dat wij hem achteraf gelijk
moeten geven over de ouderdom van Oera Linda.
Die vraag moet met andere argumenten worden onderzocht.
Het betekent ook niet dat iedere kritiek op zijn werk onterecht
was. Sommige vertalingen bleken aantoonbaar voor verbetering vatbaar;
sommige historische conclusies waren speculatief; en de argumenten
voor en tegen de ouderdom van het handschrift moeten los van zijn
persoonlijke overtuiging worden beoordeeld.
Eerherstel betekent iets eenvoudigers.
Ottema behoort niet als historische les te worden opgevoerd met
eigenschappen en gebeurtenissen waarvoor de bronnen tekortschieten.
Hij was een geschoold classicus, een langdurig actief lid en
bestuurder van het Friesch Genootschap, en een onderzoeker die in
zijn laatste levensjaren uitzonderlijk veel energie in Oera Linda
stak. Zijn laatste bekende brief over het onderwerp toont geen
bekering tot de vervalsingshypothese, maar juist enthousiasme over
een nieuwe tekstuele vondst. Fryskednis
Voor de bewering dat hij vóór zijn dood inzag dat het boek vals
was, is tot dusver geen eigentijdse bron aangetroffen.
Voor de bewering dat hij zich uit wanhoop daarover verhing
evenmin; daar staat bovendien een geregistreerde doodsoorzaak
longontsteking tegenover. Fryskednis
Een latere bron beweert zelfs het tegendeel wat zijn overtuiging
betreft: dat hij tot op zijn sterfbed aan de echtheid vasthield. Die
mededeling verdient verder onderzoek, maar hoeft niet bewezen te
worden om de bestaande voorstelling ter discussie te stellen.
Fryskednis
De bewijslast ligt immers bij degene die de dramatische herroeping
en zelfmoord als historische feiten presenteert.
Hoe een verhaal een bron verving
Misschien is daarom niet eens Ottema’s vermeende einde het
interessantste aspect van deze geschiedenis.
Interessanter is hoe gemakkelijk een goed verhaal een bron kan
vervangen.
Ottema was voor de inmiddels dominante vervalsingstheorie een
bijna volmaakt personage: de geleerde die zich door zijn verlangen
naar een groots Fries verleden liet meeslepen, waarschuwingen
negeerde, steeds geïsoleerder raakte en uiteindelijk de
vernietigende waarheid ontdekte.
Binnen zo’n verhaal voelt zijn zelfmoord bijna noodzakelijk.
Maar een gebeurtenis wordt niet waarschijnlijker doordat zij
narratief bevredigend is.
Integendeel: hoe mooier een detail in een bestaand verhaal
past, hoe belangrijker het is om naar de bron te vragen.
Dat geldt voor voorstanders én bestrijders van Oera Linda.
Jan Gerhardus Ottema heeft geen behoefte aan een nieuwe legende
waarin hij achteraf alsnog overal gelijk krijgt. Hij verdient iets
beters: dat wij hem lezen, zijn werk beoordelen, zijn fouten
onderscheiden van zijn verdiensten, en over zijn laatste maanden niet
méér beweren dan de bronnen toestaan.
De discussie over Oera Linda kan daarna gewoon verdergaan.
Maar dan zonder een dode geleerde een bekentenis en een dood toe
te schrijven die vooralsnog niet uit zijn eigen tijd kunnen worden
aangetoond.