23 April 2026

Ottema’s «midwife» — short case study

The Midwife
In 1876 English Oera Linda version by Sandbach (of Ottema’s 1872 Dutch translation), page 33 (underlining added):

The Grevetman and his council shall take twenty parts; the keeper of the market ten, and his assistants five; the Volksmoeder one, the midwife* four, the village ten, and the poor and infirm shall have fifty parts. [*Ottema: vroedvrouw]

In letter Ottema to Over de Linden, 21 October 1871:

On page 20, article 10, the term gâ moder appears, which I translated as village mother, without knowing who was actually meant, as has now become clear to me. She is the midwife. In the countryside, she is often called the goodwife or goodmother. Perhaps in your area too. Please be so kind as to correct this in my translation. [note 1]

Earlier in the text, on pp. 4-5, he translated:

thät-er Mâgy se nên yne of wnnen heth thrvch thät weld synra wêpne

as: 

that the Magy has not won a single village* from them by force of arms [*Ottema: dorp]

In transliteration Ott, the concerning word [001/31] is spelled GÁ-MODER. Some cognates of GÁ are:

  • (county, region, residential area) - Old Dutch
  • gouw (county, landscape, region, land area) - Middle Dutch
  • gouw (pagus, region) - Dutch (19th century)
  • goa (county, region, part of a province), gea (village with the surrounding land, region, landscape) - Frisian
  • Gau (region within a country) - German
Translation Ott (chapter Eb. Common Laws, art. 10:
The reeve and his aldermen shall receive twenty parts thereof; the market judge and his helpers five parts, ten parts for the market itself; the Folksmother one part and the regional mother four parts; the village ten parts, and the poor — that is, those who are unable or in no position to work — fifty parts.

From the wider context, it is clear that these regional mothers (GÁ-MODERA) must be “the Mothers at the other burgs” (that is: other than the (Folks)mother of Fryasburg at Texland), from the previous chapter Ea. Burg Laws:

1. When a burg is built somewhere, its Lamp must be kindled from the original flame at Texland, and that may only be done by the Folksmother.

2. Every Mother shall choose her own Maidens, as shall the Maids who serve as Mothers at the other burgs.

- - -

[note 1] Original Dutch: “Op bl. 20 in art. 10 komt voor de gâ moder, door mij vertaald dorpsmoeder, zonder te weten, wie dat dan eigenlijk wezen zoude, is mij nu duidelijk geworden. Zij is de vroedvrouw. Ten platten lande noemt men haar wel de goedvrouw of goedmoer. Misschien ten uwent ook wel. Wees zoo goed dit in mijne vertaling te verbeteren.”

28 February 2026

Ottema’s Standskrift page

composition with Cornelis Over de Linden
(COL, 1811-1874) and
Jan G. Ottema (JGO, 1803-1879)
 ... was against Over de Linden’s will — relevant parts from four letters, written June 1872

Sources: letters Cornelis Over de Linden; letters Jan G. Ottema (transcriptions from copies of originals in handwriting on Oera Linda wiki/ fryas.net). Spelling modernized for easier checking of the translation.

Related earlier posts:

fig. 1a (left: so-called facsimile) and 1b (right: original from MS pp. 46-47)

Thursday, June 6 — COL to JGO
Gisteravond heb ik de verbeterde plaat [afb. 1a] ontvangen. Doch ook met deze ben ik nog niet in mijn schik, omdat zij geen zuivere voorstelling van het handschrift [afb. 1b] geeft. Last night I received the improved plate [fig. 1a]. But I am not yet satisfied with this one either, because it is not a fair representation of the manuscript [fig. 1b].
[...] Dat U het runschrift hebt weggelaten spijt mij ook. Zijn deze letters van later vinding, daarvoor is U niet verantwoordelijk. [...] I am also sorry that you left out the Runscript. If these letters are of later invention, you are not responsible for that.
[...] Daar U enige photografien van het handschrift hebt laten maken die nu ook in handen van geleerden zijn, zo vrees ik dat die u over die vrijheid genoeg zullen lastig vallen. [...] Since you have had some photographs taken of the manuscript, which are now also in the hands of scholars, I fear that they will bother you enough about that freedom.
Als ik u dus met mijn burger verstandje iets mocht raden, dan zou ik zeggen: zie van die verminking af. So if I could advise you something with my common sense, I would say: refrain from that mutilation.

Sunday, June 9 — JGO to COL
Wat de letters betreft, een vergelijking met de photografie zal u doen zien, dat de steendrukker die nauwkeurig gevolgd heeft, voor zoover het standschrift betreft. As for the letters, a comparison with the photo will show you that the lithographer followed them closely, as far as the Standscript is concerned.
De figuren die in het HS als runskrift getekend zijn, behoren er niet toe. De soort van lettertrek wijst uit dat zij er (vroegstens) in het begin der vorige eeuw bij kunnen getekend zijn. Hiddo oera linda had dat alfabet in runskrift weggelaten, als onnodig, omdat het boek zelf in runskrift geschreven was. The figures drawn as Runskrift in the MS are not included. The type of character shows that they could have been drawn (at the earliest) at the beginning of the last century. Hiddo oera linda had omitted that alphabet in runskrift, as unnecessary, because the book itself was written in runskrift.
Maar wat voor hem niet nodig was, is voor mij bij de druk nodig om aan te geven door welke letters ik de letters van het runskrift tracht aan te duiden. Door middel van die opgave kan men ten allen tijde naar de gedrukte tekst het boek in zijn oorspronkelijk schrift herstellen. But what was not necessary for him is necessary for me in the printing to show by which letters I try to indicate the letters of the Runskrift. By means of this statement, the book can be restored to its original script at any time.
Ik wou om een mooi ding, dat die fantasieletters er nooit gestaan hadden, want zij hebben al meer dan te veel kwaad gedaan, terwijl het zien daarvan de mensen in de waan heeft gebracht en doen zeggen, dat schrift kan niet meer dan honderd jaar oud zijn. I wish that those fantasy letters had never been there, because they have already done more than too much harm, as seeing them has given people the illusion that the writing cannot be more than a hundred years old.

fig. 2 — last page of letter June 11

Tuesday, June 11 — COL to JGO (image 2)
Een verzoek om revisie [...] ook aan u, en aan alle lieden welke het zogenaamde runschrift als van jongere datum verwerpen. A request for revision [...] also to you, and to all people who reject the so-called Runscript as being of a later date.
[...] Wanneer Gij zoo zwak zijt om het lopend schrift, uit vrees voor enige schreeuwers te verwerpen dan is het zo goed alsof gij met een schede wilde duelleren terwijl gij hun de degen in handen geeft. [...] When You are so weak as to reject the cursive script, out of fear of some noisy objectors, it is as if you would duel with a scabbard while handing them the sword.
Immers in het handschrift staat “Toen Fæsta eremoeder was, heeft zij er het run of lopende schrift van gemaakt. De Witkoning dat is zeekoning Godfried” enz. After all, the manuscript states, “When Festa was honorary mother, she used it to make the cursive [Run-]script. The Witkeaning that is sea-king Godfried, etc.
Welnu, als het runschrift er over een grote 100 jaar ingebracht is dan is het bovenstaande er ook ingebracht, en dan kan al het andere er ingebracht zijn. Ik blijf dus tegen de verminking protesteren. Well, if the cursive script was added over 100 years ago, then the above was also added, and everything else could have been added. So I continue to protest the mutilation.

Wednesday, June 12 — JGO to COL
Het Standschrift is de lettervorm in het jol getekend, dat Staand schrift is de Standaard, het model, maar voor het dagelijks gebruik te omslachtig en te moeilijk. The Standscript is the letter form drawn in the wheel; that Standscript is the standard, the model, but too cumbersome and difficult for daily use.
Zo is ook het HS niet in Standschrift geschreven, Fæsta heeft er het runskrift van gemaakt door de zaak te vereenvoudigen, door de letter van het jol te ontdoen en daarbij de letters gelijk van grootte te maken. Likewise, the MS is not written in Standschrift; Fæsta derived the Runskrift from it by simplifying the matter, by removing the letter from the wheel and making the letters the same size.
In dat runschrift is ook het HS geschreven. Dit letterschrift is het run, dus niet de figuurtjes op pag. 46. Als gij dit goed bekijkt, dan zult gij zien: The MS is also written in that script. This typeface is the run, so not the figures on page. 46. ​​If you look at this carefully, you will see:
l. dat zij met een ganzenschacht geschreven zijn, en niet met het penseel zoals het gehele HS.
2. dat de inkt verbleekt is en van een geheel andere soort, als de zuiver zwarte onverbleekte inkt van het HS. De oude inkt is niet ijzerhoudend, en verbleekt of verroest niet, zoals de latere ijzerhoudende inkt. Die oude inkt in de 13e eeuw komt meer met de Chinese inkt overeen.
l. that they were written with a quill, and not with a brush like the entire MS.
2. that the ink is faded and of a completely different kind than the pure black unbleached ink of the MS. The old ink is not ferrous, and does not fade or corrode like the later ferrous ink. That old ink in the 13th century is more similar to Chinese ink.
Bovendien als dat schrift het dagelijkse of lopend schrift was, dan had het HS in dat schrift moeten geschreven zijn. Moreover, if that script was the daily or running script, then the MS should have been written in that script.
[...] Nu had Hiddo oera Linda niet nodig bij zijn alfabet op te geven, hoe het runskrift eruitzag. Het hele HS was runskrift. Hij heeft daarom die ruimte open en oningevuld gelaten. [...] Now Hiddo oera Linda did not need to indicate what the Runskrift looked like with his alphabet. The whole MS was Runskrift. He therefore left that space open and unfilled.
Van die opene ruimte is later door iemand gebruik gemaakt, om te beproeven met lettervormen in de trant van onze Kapitaal schrijfletters, die Oudfriese letters weer te geven; even zoals nog onze Kapitaal drukletters de afstammelingen zijn van het oude handschrift. Someone later used this open space to experiment with letter forms in the style of our capital writing letters, to represent those Old Frisian letters; just as our capital printing letters are the descendants of the old handwriting.
[...] Die krulletters hebben met het originele HS evenmin iets te maken als de paginering. Zij behoren er niet toe en dienen trouwens ook nergens voor, omdat er geen geschrift bestaat met zulke letters geschreven. Het is en blijft een fantasie-alfabet. [...] Those curly letters have no more to do with the original MS than the pagination. They do not belong to it, nor are they of any use, because there is no scripture written with such letters. It is and remains a fantasy alphabet.

Some important details lost due to the mutilation, for example the Runskrift T, F and NG:

04 February 2026

Ottema’s «LOF» — gevalsstudie

Bij een nieuwe studie naar de woordencombinatie NÍ LOF, kwamen door Ottema (in 1872) gemaakte fouten aan het licht, die in de meeste latere vertalingen zijn herhaald. Hier volgt een gevalsstudie.

I. Onjuiste transliteratie van (o.a.) en LOF (zie afbeeldingen).

Ottema gaf zowel Y als Í weer als y
Ottema gaf LOF weer als LÀF om het te kunnen vertalen als laf
Mij kwam het echter voor dat
“de lucht werd zwart en niet
moede van tranen te storten”
een betere zin daarstelde.

II. Onjuiste interpretatie ondanks aanwijzing door Over de Linden

De Fryas Í en Y worden soms door elkaar gebruikt (zo wordt Frya een paar keer gespeld als Fría), waardoor Ottema gedacht kan hebben dat hij beide letters wel kon weergeven als y. Daardoor zal hij te snel hebben aangenomen dat op ms. blz. 10 nieuw betekent, met als gevolg dat LOF niet moe kan zijn. Het tweede voorkomen van LOF, op bl. 69, werd door Ottema begrepen als laf, geholpen door een ‘aangepaste’ transcriptie als LÆF (of LÀF). Twee maal heeft Cornelis hem gewezen op niet moe als mogelijkheid, maar Ottema lijkt dit te hebben genegeerd (zie afbeelding).

Je worre niet louf [van te] kòiken
III. Niet loof (niet moe) worden
(van zekere activiteit) in Westfries woordenboek

In het Westfries woordenboek van Jan Pannekeet (1e druk was 1984) komen voor (zie afbeelding):

  • lof → loof (b.v. van aardappelen);
  • loof/ loef → 1. loefzijde, of 2. zwarte walm/ aanslag;
  • loof/ louf → vermoeid, afgemat.
De laatste variant krijgt de meeste aandacht en komt voor in diverse uitdrukkingen, o.a. Je worre niet louf [van te] kòiken (“je wordt het kijken niet moe”).

IV. Conclusie

“Niet loof worden van te ...” is exact de constructie die gebruikt is in “De lucht werd ... niet loof van tranen te storten”. In aanmerking genomen het feit dat op blz. 69 LOF ook voorkomt in een samenhang waarin vermoeid of uitgeput perfect past, ligt de conclusie voor de hand dat het door Over de Linden voorgestelde niet moe (van tranen te storten); oftewel langdurige regen waarschijnlijk de juiste uitleg is. De lucht kan donker (zwart) worden door hevige regenval, maar niet geel-groen. De zin kan voor de duidelijkheid worden gesplitst in:

  • De lucht werd zwart van tranen te storten
  • De lucht werd niet moe van tranen te storten

Met andere woorden: Het was donker door hevige, aanhoudende regen.

V. Ottema’s vergissing leeft voort

Hoe Ottema’s misinterpretatie van beide fragmenten met LOF in veel latere vertalingen/ versies werd overgenomen.

Transliteratie [010/25] ní lof fon tára to stirtane [069/19] to lof vmbe wider to gane
Ottema 1872/’76 geelgroen van tranen te storten te laf om verder te gaan
Sandbach 1876 [alleen: the air was dimmed by tears] too cowardly to go any further
Wirth 1933 [dit en meer overgeslagen] zu feige, um weiterzugehen
Overwijn 1941/’51 geelgroen van het tranen storten te laf om terug te gaan*
Pierce 1983 newleaf (yellow-green), washed by tears** too fearful to go on
Jensma 2006 niet moe van tranen storten te moe om verder te gaan
Menkens 2013 “hell grün” von Tränen (bis) zu herabstürzendem (Wasser)*** zu lau um weiterzufahren/-zugehen***
Ott 2026 EN (concept) (paraphr. with note:) [The sky grew black,] pouring forth unending tears. too exhausted to set sail again
Ott 2026 NL (concept) (paraphr.:) stortte onvermoeibaar tranen te moe om weer uit te varen

* Weergave LOF door Overwijn was wel juist; in 1941 verder  i.p.v. terug. / ** Pierce, die een zo nauwkeurig mogelijke weergave van de originele tekst nastreefde, bewees o.a. met washed by tears, dat hij weinig benul had van de Fryas taal. / *** Fragment [010] vergezocht; [069] te lauw?!

betreffende fragmenten met LOF en meest besproken vertalingen met noten
@quote_miner op Twitter

Gebruik van een gebrekkige vertaling kan leiden tot onjuiste conclusies en falende bewijsvoering. Bijvoorbeeld in nevenstaand bericht (uit een geloofsbelijdenis op Twitter) van een anonymus die mogelijk zelfs de versie van Pierce tot zijn favoriet heeft gemaakt, juist omdat diens yellow-green een verband met zwavelstof mogelijk maakt:
“(...) The air was black and newleaf (yellow-green), washed by tears (...)” So in these writings we find direct confirmation of (...) dimming of the sun with black ash and “newleaf” (sulphuric)-green dust.

05 August 2025

Ottema’s voortschrijdend inzicht 1871-1872

Studies in de nieuwe Bibliotheek Oera Linda

Ottema’s voordracht Der Friezen Herkomst volgens Het Boek van Adela voor het Friesch Genootschap, februari 1871 (d.w.z. de in juni gedrukte versie), vergeleken met de Inleiding op zijn uitgaves (1872 en 1876) van Thet Oera Linda Bok.

In de eerste uitgave van 1872 staat aan het einde van de Inleiding (blz. V-XXVI) vermeld: “Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871.”

In de tweede uitgave (1876) volgt dezelfde Inleiding na twee toegevoegde teksten: Het handschrift (…) heeft al langen tijd vóór het jaar 1600 bestaan (blz. I-IV) en Voorbericht (blz. V-XVI), namelijk op blz. XVII-XXXVIII. Nu is deze vermelding vervangen door een voetnoot bij de titel (blz. XVII; onderstreping toegevoegd):

“Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.”

Onveranderd moet betrekking hebben op de Inleiding van de eerste uitgave uit 1872. De oorsprokelijke voordracht van februari 1871 (zoals in juni gedrukt uitgegeven) is immers noemenswaardig herzien.

De verschillen duiden het voortschrijdend inzicht in de beginfase van Ottema’s onderzoek.

Overzicht van de significante verschillen Inleidingen 1872 en 1876 ten opzichte van Voordracht 1871.

[toev. = toevoeging; verw. = verwijdering; wijz. = wijziging]

  • Bl. 3 all. De heer ... - toev. “eerste Meesterknecht bij ’s Rijks Marine-werf” en:
Het is gebleken, dat die traditie berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
  • Bl.3 all. Oogenblikkelijk ... - toev. “(Galliers) en Helvetiers” en:
B.G. I.29 en VI.14 / Echter blijkt uit V.48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste.
  • Bl.4 vervolg - wijz./toev. “vier zamengestelde ... medeklinkers: ng, th, ks en gs”
  • Bl.6 all. De taal ... - toev. “en veel zuiverder” en wijz.:
tusschen het Vlie en de Kinhem, in Wester Flyland → van het Vlie tot aan de Schelde
  • B2.7 witregel - toev.:
Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht, want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.

  • Bl.8 vervolg - wijz.:

Van Adela wordt door Wiljow op bl. 134 nog een geschrift genoemd→ Door Wiljow worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd
  • Bl.8 all. Voor de ... - toev. “eerste Cimbrische vloed ”
  • Bl. 9 vervolg - wijz. 520530 voor Chr.
  • Bl. 9 all. Het latere... - toev. “(303 voor Chr.,) 1890 jaren nadat Atland verzonken was”
  • Bl. 9 na all. Er liggen... - toev.:
Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.

De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters van Cybele.
  • Bl.10 voor all. De vestiging ... - toev.:
Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het verre onbekende Noorden afkomstig is.

In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen, waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen, dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus (zie b.v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N.B. aan den westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of zes oostelijk van daar op 22° N.B. nog een Minnagara. Die naam is zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna, den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.

Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.

  • Bl.10 all. De vestiging ... - wijz.:
    Bij geen der oude Geographen is de herinnering bewaard aan die voormalige zeeëngte of aan het ontstaan der landengte van Suez. Alleen vinden wij den naam bij Mozes terug Exod. XIV: I, als hij zich legert bij Pi ha chiroht, den mond der engte.→ Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte, waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven, maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.

  • Bl.13 voor all. Hoewel ... - toev.:

Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg 1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t.N.v.A. 1867. Toen men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer, dan hetgene Herodotus Lib.v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus, waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld.

Dubbel belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen, dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners (Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.

Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog bestonden en bewoond werden.

In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 250 j. v. Chr.) met zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft, »fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta.”

Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853, bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd kunnen verzinnen.

  • Bl.13 all. Hier daarentegen ... - toev.:
Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
  • Bl.15 vervolg - verw. Men denke aan Velleda bij Tacitus. Hist. IV: 61. Zij was burchtmaagd op Manna-garda forda (Munster.)
  • Bl.15 voor all. Ontmoeten wij ... - toev.:

Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8 Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.

Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris; Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster).

In het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc) zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.

De laatste dier burgten is de Fåstaburgt op Ameland geweest, templum Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.

  • Bl.15 all. Ontmoeten wij ... - toev. “Middelburg, of (Domburg)”
  • Bl.16 all. De andere ... - toev.: “bij de Etruriers Nethunus” en “omstreeks 2000 jaren v. Chr.”
  • Bl.16 all. Bij deze ... - wijz.:

    kunt gij uw lachen (niet bedwingen) ... gij→ kan misschien iemand zijn lachen ... hij

  • Bl.17 voor all. De tijd ... - verw. hele allinea:

Het zonderlingste van de hier voorkomende verschijnselen op dit gebied is dit: Wat wij Duitschland noemen, draagt hier den naam Twiskland, tusschenland, omdat het tusschen Fryasland en Findasland in ligt, en door zijne ontoegankelijke wouden, vol met wild gedierte, Fryas kinderen ten voormuur strekt tegen de overvallen der Slavona folkar. De Germanen hebben om den oorsprong van den naam Duitschland te verklaren een God Tuisko aangenomen, van wien de mythologie verder niets weet te berichten, noch wat hij doet, noch wie hij is, noch waar hij vandaan komt. In Adelas boek is wel het land, maar niet de God bekend. Die Tuisko is dus niets anders dan het voorzetsel twisk, tusschen, en geeft het merkwaardige voorbeeld van de apotheose eener praepositie.

  • Bl.18 voor witregel - toev.:
Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.

  • Bl.19 all. Als slotsom ... - toev.: (!)
In lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien de O.F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. 

  • Bl.19 all. Bl.157 ... - wijz. “jonge lieden” → “verstandige lieden"
  • Bl.20 all. De bede ... - wijz.:

De bede van de vorige bladzijde was eene uitnoodiging tot de bruiloft van Adel met Ifkja, en op de volgende bladzijde zijn zij reeds eene poos getrouwd.→ Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst is voorgevallen.

13 June 2025

Eerherstel Ottema 3 — het sterfbed van Dr. O.

Vervolg op deel 2 — de woekerende waan

Lees ook: Eerherstel Ottema 1 — Nico Luitse 1994

... namens de bij het sterfbed van Dr. O. aanwezigen

In het vorige deel zagen we hoe de door Goffe Jensma als feit voorgestelde roddels over Jan Ottema’s vermeende inkeer en zelfdoding een eigen leven zijn gaan leiden. Voor Oera Linda-bestrijders leek deze impertinentie het ideale wapen, maar dit geestelijk geweld zal op hun eigen hoofden wederkomen.

We zagen ook dat reeds in 1990 Nico Luitse wist dat Ottema aan longontsteking was overleden. Maar nu blijkt dat er ook een getuigenverklaring is van Ottema’s volharden in zijn overtuigingen tot op zijn sterfbed, kort voor het begin van de lente van 1879.

Hieronder staat het relevante deel van een (nog) niet-gepubliceerd betoog, geschreven tussen 1939 en 1949, wellicht door Eeltje Molenaar (onderzoek hiernaar volgt). Het ter zake dienende fragment is in vette letters weergegeven. Wie de genoemde heer Menalda was is nog niet duidelijk. Mogelijk Albert Menalda (1802-1881) of Hendrik Menalda (1830-1917, wijnhandelaar).

[Omwille van de leesbaarheid is één lange alinea verdeeld in kortere.]

= = =

Een vertaling van het Oera Linda Boek werd het eerst verricht door Dr. J.G. Ottema te Leeuwarden en verscheen in 1872 te Leeuwarden. Hij voorzag de uitgave van een voorrede, waarin hij den reeds opgestoken storm tegen het werk, die o.a. ook poogde de uitgave te verhinderen, trachtte te bezweren. Dit laatste gelukte hem ten deele, althans in 1876 mocht het werk een tweede uitgave beleven, waarin de voorrede van Dr. Ottema werd uitgebreid en voorzien van de in zijn tijd nieuwste gegevens. Kenmerkend is een zinsnede uit dezen tweeden druk, die luidt als volgt:

“Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en verbittering op te wekken? Is het zoo’n bespottelijk prulschrift, zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men niet doet.” enz. enz.

In deze bespreking zal van de door Ottema genoemde werken van zijn hand het een en ander verwerkt worden. Maar wat Ottema hierboven verzucht, is ongeveer zoo gebleven en het is erbarmelijk, dat deze soort kritiek het zoover heeft gebracht, dat men allerwege nóg steeds hoort: “O, dát boek, maar dat is immers een vervalsching.” Nog steeds leest men niet. Men vraagt zich af, waaraan dat kan liggen. In §1 was er reeds gelegenheid hierover het een en ander te zeggen, maar hier zij erbij gevoegd, dat het toch niet aan de persoon van Dr. Ottema kan hebben gelegen. Om verschillende redenen niet.

In de eerste plaats was het van hem als goed Christen niet te verwachten, dat hij er bijzonder behagen in zou scheppen, om een zoogenaamd ‘heidensch’ werk uit te geven en er zooveel mogelijk de aandacht op te vestigen. Weliswaar, deed men zelf braaf aan de klassieken en die waren, nu ja, — niet zoo erg christelijk — maar dat was dan toch van een soort, die door de vele jaren danig gesanctionneerd was en dus geoorloofd, daarenboven hadden de klassieken het groote voordeel, dat ze niet ‘Germaansch’ waren en dus beter aansloten bij onze zorgvuldig ‘ontfryaschte’ opvoeding door de jaren. Maar een zoogezegd Germaansch oerwerk ter tafel brengen dat was “des Guten zuviel”, eerder nog “des Schlechten zuviel”.

Tenslotte meende men tóch nog wel iets t.o.v. Dr. O. te hebben gevonden, hij zou n.l. op zijn sterfbed de echtheid van het OLB herroepen hebben — de booswicht! Maar ziet, ook aan deze hoop der deerniswaardigheid werd bij monde van den hr. Menalda krachtig den kop ingedrukt, doordat deze heer namens de bij het sterfbed van Dr. O. aanwezigen kon verklaren, dat het tegendeel het geval was, dat n.l. Dr. O. uitdrukkelijk had verklaard, dat het écht was. Het OLB wás echt, zeide hij. Het ging dus níet over dien boeg.

Kon het geweest zijn de tegenzin, die de Fries heeft tegen de mogelijkheid, dat, gebleken de echtheid van het OLB geheel Nederland zich met de Friezen zou gaan bemoeien en dat zulks hun veel last zou veroorzaken?? Die factor kán meegewerkt hebben en hij is dan nog de minst laakbare van de rest, maar voldoende verklaring is het nog niet. Verder kon men van een volbloed Fries (Midfries), die Dr. Ottema was, moeilijk aannemen, dat hij iets zou ondernemen, waarmede de Friezen leelijk achterop zouden komen en de ‘laughing stock’ zouden worden van overig Nederland. Ook dat was niet aan te nemen.

Dr. Ottema was dus volkomen te goeder trouw, maar hij was er ‘ingeloopen’, vond men er toen met groote virtuositeit op, want ‘schuldig of niet schuldig’ het kostbaarste erfstuk in de Nederlanden moest en zou hangen (of anders zo gauw mogelijk wegstoppen, schenden of vernietigen). Zoo ongeveer in den stijl van de cowboypolitie in de V.S.A. in de pioniersperiode, die vond, dat men misdadigers, of wat daarvoor doorging, had te behandelen volgens het recept: “Hang him first, we’ll judge him later.” Wat we zullen hebben te vertalen met “Eerst ophangen, het verhoor komt later.”

het ter zake dienende gedeelte op microfilm bij Tresoar
thàt to séke thjanande dél vp smalfilt by trésôr

27 May 2025

Eerherstel Ottema 2 — de woekerende waan

Vervolg op Eerherstel Ottema 1 — Nico Luitse 1994

Lees ook: Eerherstel Ottema 3 — het sterfbed van Dr. O. 

Feitenlijst

Op donderdag 20 maart 1879 deden gemeentebodes Casper Habekottee (1826-1907) en Sikke Jansen (1836-1923) bij de gemeente Leeuwarden aangifte van het overlijden van Jan G. Ottema (geb. 1804), één dag eerder om 7:30 in de ochtend. Opgegeven doodsoorzaak: longontsteking. [afb. 1]

afb.1) 1879 - longontsteking (gehele akte zie onder)

= = =

In zijn proefschrift De Gemaskerde God (dec. 2004) schreef Goffe Jensma (geb. 1956) dat hem door Adriaan Lysen (1921-2012) en Pieter Gerbenzon (1920-2009) het volgende zou zijn medegedeeld: “Volgens sommigen heeft Ottema uiteindelijk toch ingezien, dat hij had gedwaald en dat hij zijn eer als classicus had verspeeld. Met die waarheid heeft hij niet verder willen leven. Hij hing zich op.” [afb. 2]


afb. 2) 2004 - Volgens sommigen...
afb. 3) 2006 - ... en verhing hij zich.

In de inleiding van zijn vertaling Het Oera Linda-boek (2006) stelt hij dit gerucht voor als feit: “Toen Ottema, door iedereen in de steek gelaten, in 1879 uiteindelijk inzag dat hij ongelijk had gehad en dat hij voor oud had versleten wat eigentijds was, besloot hij dat het geen zin had om nog verder te leven en verhing hij zich.” [afb. 3]

= = =

In een artikel in Eos Magazine (sept. 2011) door Chris Reinewald, getiteld Bedrog, bijgeloof en zelfmoord in Friesland, gebaseerd op informatie van Jensma: “[Ottema] voelde dat zijn levensmissie belachelijk was gemaakt. In 1879 verhangt hij zich.” [afb. 4]

afb. 4) 2011 - In 1879 ... verhangt hij zich
afb. 5) 2019 - Hij maakte een eind aan zijn leven.

In een artikel waarmee reclame gemaakt wordt voor een op Jensma’s doctrine gebaseerd openlucht-theaterspel over Oera Linda in de Leeuwarder Courant (21-6-2019), getiteld Tante Aafje en de geleerde dokters, schrijft Asing Walthuis: “In artikelen en brochures trok hij tegen de rest van de wereld van leer en hij vermoedde samenzweringen van andersdenkenden. Niemand nam hem nog serieus. Hij maakte een eind aan zijn leven.” [afb. 5]

afb.6) 2022 - In 1879 ... verhing hij zich

In De geheime portretten van Mondriaan (2022) schrijft Nick Draaijer: “De discussie (...) dreef Ottema tot waanzin. (...) In 1879, toen hij eindelijk inzag dat het allemaal een verzinsel was, verhing hij zich.” [afb. 6]

= = =

In Het grote verdriet van François HaverSchmidt in Hollands Maanblad (jan. 2024) schrijft René van Slooten: “Toen in de jaren na 1871 geleidelijk duidelijk werd dat het OLB inderdaad een mystificatie was, heeft dat de reputatie van Ottema kapotgemaakt, iets wat hij zich uiteraard zeer aantrok en wat hem ten slotte deed besluiten om in 1879 een einde aan zijn leven te maken.” [afb. 7]

afb.7) 2024 - wat hem ... deed besluiten om ... een einde aan zijn leven te maken
afb. 8) - 2024 Ottema zou zichzelf ... van het leven hebben beroofd

In de Leeuwarder Courant (28-1-2024) van dezelfde maand schrijft Thomas Hoekzema in een artikel met de lange titel Waarom François HaverSchmidt uit Leeuwarden, alias Piet Paaltjens, spijt had van een uit de hand gelopen grap met vreselijke gevolgen: “Zijn geliefde leraar Jan Gerhardus Ottema zou zichzelf enkele maanden eerder namelijk van het leven hebben beroofd als gevolg van het Oera Linda Boek.” [afb. 8]

HCL arch. 1002 inv. 3878

Reeds in 1990 was bekend dat Ottema overleed aan longontsteking, zoals door Luitse vermeld in zijn Dossier Oera Linda Boek.

Nergens in Ottema's brieven is enige twijfel te bespeuren aan zijn overtuiging van de echtheid en waarde van het handschrift.

Nico Luitse in Dossier Oera Linda Boek 1990 - “aan longontsteking overleden”

Jensma’s leugen over Ottema ontmaskerd
(deel van NL-talig vraaggesprek, 20-9-’24)

26 May 2025

Verklaring Hugo Suringar (mbt papier OL) 1874

Verklaring van Hugo Suringar
Over het papier van thet Oera Linda bok
Mei 1874.
[afschrift Nico Luitse]

[1] Op een der Winteravondvergaderingen 1873/4 van het Fr. Genootschap zijn eenige bladzijden ter bezigtiging gesteld van het Handschrift genaamd Thet Oera Linda bok, terwijl de Heer Dr. J.G. Ottema de beleefdheid heeft gehad ook daarna het een en andermaal ten zijnent te laten zien.

Het is moeyelijk, aan te wijzen, welk verschil er bestaat tusschen het H.S. papier en de soort die tegenwoordig, in velerlei fabrikaat, onder den naam velin-vergé (schrijfdraad) in den handel bekend is.

Het formaat van het H.S. is gelijk aan gewoon folio schrijf, minus een paar vingerbreed in de hoogte, zoodat het H.S. niet ongelijk is aan vrij groot kwarto formaat.

De stof van het H.S. papier is,volgens de onderzoekingen van Dr. Ottema: katoen.

Het H.S. papier is bij doorzigt zeer helder, niettegenstaande de oppervlakte ter weerszijde vrij donker is getint.

Langs de stegen in het papier (de wijdere waterlijnen) zijn geen schaduwen, zooals gewoonlijk in het papier met waterlijnen, dat honderd jaren geleden en vroeger werd gemaakt.

[2] Het papier dezer eeuw heeft die schaduwen niet meer; dit is het gevolg van een veranderde en verbeterde fabrikatie. - In het H.S. papier liggen de fijnere waterlijnen tamelijk wijd en duidelijker zigtbaar, dan men ze, vooral in zeer oude papiersoorten, gewoonlijk aantreft.

Het H.S. is meer dan uitmuntend geconserveerd, en schijnt, blijkens de gaatjes in den rug der vertoonde catern, bij herhaling, of wel door een onbekwame hand te zijn ingenaaid of ingebonden; de randen der bladen (marges) zijn bijna allen onberispelijk zuiver en ongeschonden. Door den knagenden tand des tijds of van het ongeval heeft het H.S. weinig of niets geleden. Maar toch is het duidelijk zigtbaar, dat de bruine kleur der bladzijden is veroorzaakt door de werking van vocht: het meest op de middelgedeelten der bladen, naar de uithoeken der bladzijden heen.

Waterringen ontbreken evenwel geheel.

[3] Evenmin is vervuren van het papier waar te nemen.

De bruine tint is hier en daar met wolken, doch over het geheel vrij effen.

Het schrift heeft op geene plaats door die bruine tint iets in duidelijkheid geleden.

Inwendig is het papier volkomen wit.

De vraag dringt zich op: Vanwaar deze bruine kleur?

Is zij het gevolg van de wederwaardigheden, waaraan het H.S. is blootgesteld geweest, of van den tijd, of van beide?

Ware het H.S., nà zamenvoegging der bladen, onderworpen geweest aan den invloed van water, weêr en wind, zoodat de oorspronkelijk witte kleur van het papier moest overgaan tot vrij donker bruin:

hoe is het dan mogelijk, 

  1. dat de bladen zoo goed bewaard zijn gebleven?
  2. dat de randen (marges) zoo weinig hebben geleden? [4]
  3. dat het papier op geene plaats inwendig daardoor is aangetast, zoodat dit noch aan doorzigtigheid, noch aan sterkte, noch inwendig aan helderheid der witte kleur iets schijnt te hebben verloren?

-------

Proefnemingen op het H.S., ten einde sommige vragen, die zich voordeden, op te lossen, mogt de Heer Dr. Ottema niet toelaten. Natuurlijk: het H.S. was aan ZE. toevertrouwd met verantwoordelijkheid om het geheel ongeschonden terug te leveren.

Een onderzoek zijnerzijds heeft echter aangetoond, dat het H.S. papier chloor-vrij is.

Aanwezigheid van chloor daarin, zou bewezen hebben dat het H.S. een gewrocht der 19e eeuw is; chloor toch is eerst sedert ongeveer 50 jaren bij de papierfabricage in gebruik. - Afwezigheid van chloor is evenwel geen afdoend bewijs voor den hoogen ouderdom: bij de photografie b.v. wordt wel papier gebruikt met guarantie van den fabrikant, dat het geen chloor bevat.

[5] Een drop jodium-tinctuur op het Handschrift gevallen, zou waarschijnlijk de aan- of afwezigheid van aardappelmeel in de papierlijm kunnen aantoonen.

Het niet ijzerhoudende der inkt van het H.S. is wel aangenomen, doch niet nader bewezen. Bovendien: verschillende hedendaagsche inktsoorten zijn zonder ijzer zamengesteld.

---

Dooch vanwaar de bruine kleur der bladzijden en deze alleen aan de oppervlakte?

Ware zij te wijten aan den tijd, dan zou het papier ook inwendig daardoor zijn aangedaan.

Ware zij veroorzaakt door eene langzaam werkende vochtigheid, die schimmel en vervuring met zich voert, ook dan was de papier-vezel niet onaangetast gebleven.

Ware zij veroorzaakt door overstroming van vocht, zoodat het boek druipnat was geworden, hoe komt dan [6] een bruine tint te voorschijn, zonder dat ergens waterringen in het papier overblijven? - hoe komt het dan, dat de vloeistof niet door de papierstof is heengedrongen?

Dit leidt tot het vermoeden dat het H.S. nà de voltooying steeds droog bewaard is, en dat de bruine tint van het papier misschien wel geheel of voor een goed deel te verwijderen zou zijn door middel van een spons met koud of laauw water. Dit ware gemakkelijk en zonder vrees voor beschadiging van het H.S. op eene der vrij breede randen (marges) te beproeven.

Mogt men de toepassing van water tot het beschreven gedeelte der bladzijde willen uitstrekken, dan zou spoedig blijken of het H.S. zonder schade voor de letter, nat heeft kunnen zijn. Vele schrijfinktsoorten toch zijn tegen zulk eene proef niet bestand.

Is de bruine tint ook onder het schrift aanwezig?

Dit is misschien te ontdekken door het voorzigtig wegnemen van een of [7] meer der kleine iktvlekken die over het H.S. verspreyd zzijn. Is die bruine kleur wel onder het schrift aanwezig, dan is het papier niet beschreven dan nadat het die bruine kleur reeds had ontvangen. Het vermoeden, dat dit het geval kan zijn, werd opgewekt, door dat sommige bladzijden schijnen beschreven te zijn terwijl het papier eenigzins vochtig was (zigtbaar aan het een weinig uitvloeyen van de inkt op die bladzijden, hetwelk de randen der letters iets minder scherp dan elders doet zijn.)

De ??? die nog over het H.S. ligt, geeft eveneens tot het vermoeden aanleiding, dat het papier noch voor noch na de beschrijving herhaaldelijk druipnat is geweest.

Eerder zou men gelooven aan eene bevochtiging met een bruin gekleurde vloeistof, door middel eener spons of kwast - eene prent als die door de laatste wordt veroorzaakt is op [8] sommige plaatsen waar te nemen - nadat het papier tot bladzijden was gevouwen: de vier hoeken van het blad hebben bijna overal het minst van die kleur aangenomen, terwijl de opstaande rug der vorm een hindernis was, die aan de ommezijde van het papier minder merkbaar is.

---

Het velin vergé papier is machinaal- of stoom-papier. Omstreeks het jaar 1840 is het voor het eerst in den handel gebragt, als eene nabootsing van het geschept of handpapier. Het werd en wordt nog meestal geleverd zonder ander watermerk dan de overlangsche en dwarse waterlijnen. Eerst later werd het met fabriekmerken voorzien. Sedert 1850 ongeveer is het vergé papier meer in zwang gekomen, maar in de eerste jaren bleef het hoofdzakelijk tot de zeer fijne soorten bepaald; als nouveauté werd het zeer op prijs gehouden. In de latere jaren [9] werd het zeer algemeen, zóó dat men thans de fijnere machinale papieren naar willekeur kan laten vervaardigen àl dan niet gevergeerd. Het fabrikaat is ook sedert lang geen geheim meer. Men plaatst eene rol van gevlochten koperdraad op de machine, en laat de nog natte pap de prent van het vlechtwerk in zich opnemen. Maar in 1850 of daaromtrent kon het nog als eene bijzonderheid gelden, papier te bezitten zonder ander merk dan waterlijnen, en men kon toen moeyelijk zich voorstellen welke vlugt de vervaardiging van zulk papier binnen weinig jaren zoude nemen.

Het schrift van het H.S. is op de vertoonde bladzijden niet geteekend met een penseel, ook niet geschreven met een ganzeschacht (dit laatste is trouwens niet beweerd), doch met een werktuig dat ongeveer of volkomen dezelfde werking op papier uitoefent als de stalen pen. Dit is zigtbaar aan de randen der letters, die in het papier zijn gegrift, niet op het papier liggen.

Mei 1874, Hugo Suringar.