08 October 2026

Eerherstel voor Jan Gerhardus Ottema

Hoe een gerucht over Oera Linda tot historische werkelijkheid werd

Over Jan Gerhardus Ottema wordt al jaren een dramatisch verhaal verteld. De Leeuwarder classicus, die in 1872 de eerste volledige uitgave en vertaling van het Oera Linda-boek verzorgde, zou uiteindelijk hebben ingezien dat hij door een negentiende-eeuwse vervalsing was misleid. Zijn reputatie was gebroken, zijn levenswerk ingestort. In 1879 zou hij zich daarom hebben verhangen.

Het is een verhaal met bijna literaire perfectie: de geleerde die zich koppig aan een illusie vastklampt, uiteindelijk de waarheid onder ogen moet zien en daaraan bezwijkt.

Alleen blijken de bronnen zich niet naar dat verhaal te gedragen.

Wat met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat Jan Gerhardus Ottema op 19 maart 1879 in Leeuwarden overleed. De officiële overlijdensregistratie bevestigt datum en plaats. In de door Nico Luitse geraadpleegde Leeuwarder gegevens wordt als doodsoorzaak longontsteking vermeld. Luitse nam dat reeds in 1990 op in zijn Dossier Oera Linda Boek. Open Archives

Daarmee zou de zaak eenvoudig kunnen lijken. Toch is het interessanter om na te gaan waar het andere verhaal vandaan komt, want juist daarin zit een leerzaam voorbeeld van historische beeldvorming.

Ottema vóór Oera Linda

Ottema was geen zonderling die uit het niets door een geheimzinnig manuscript werd meegesleept. Hij werd op 1 december 1804 in Doetinchem geboren, studeerde letteren, promoveerde in 1828 op Sophocles’ Antigone en werkte vervolgens tientallen jaren als classicus en docent. Hij was conrector in Harlingen en later in Leeuwarden en speelde langdurig een actieve rol binnen het Friesch Genootschap. DBNL

Volgens Nico Luitse, die Ottema’s werk en correspondentie uitvoerig bestudeerde, produceerde Ottema naast zijn vertaling verschillende afzonderlijke studies over het Oera Linda-boek. Hij maakte afschriften, verzamelde woorden en werkwoordsvormen en werkte aan grammaticale analyse. Zijn publicaties gingen onder meer over geschiedenis, taal, geografie, paginering en de kritiek die tegen het handschrift werd ingebracht. Fryskednis

Dat alles bewijst uiteraard niet dat Ottema gelijk had over de ouderdom van het handschrift. Een geleerde kan nauwgezet werken en zich toch vergissen. Maar het maakt wel verschil voor de manier waarop zijn geschiedenis behoort te worden verteld.

Een contemporaine waardering komt van de Groningse hoogleraar Petrus Hofstede de Groot, die na een bezoek aan Cornelis Over de Linden verklaarde dat het een geluk was dat het handschrift bij Ottema terecht was gekomen. Hij noemde hem eerlijk, geleerd en voor zijn taak berekend. Fryskednis

Nog in september 1878, een half jaar vóór zijn dood, werd Ottema bovendien opnieuw gekozen als bestuurslid van het Friesch Genootschap. Het jaarverslag na zijn overlijden herinnerde hem als een buitengewoon ijverig bestuurslid dat vrijwel nooit bij de wekelijkse vergaderingen ontbrak. Dat past moeilijk bij de latere voorstelling dat hij tegen het einde van zijn leven maatschappelijk volledig was ingestort en door iedereen was verlaten. Fryskednis

Zijn laatste bekende brief

Nog belangrijker is Ottema’s eigen stem.

Op 3 januari 1879, slechts ongeveer tien weken vóór zijn overlijden, schreef hij aan Leendert Floris Over de Linden. In die brief blikt hij terug op het voorafgaande jaar. Over de discussie rond Oera Linda schrijft hij niet dat hij twijfelt of verslagen is. Integendeel: volgens hem waren hij en Over de Linden met hun laatste publicaties aan het laatste woord gekomen en waren de bestrijders tot zwijgen gebracht.

Hij formuleert het zelf kernachtig:

“In de wetenschap is dat veel, is dat de overwinning.”

Vervolgens bespreekt hij enthousiast een nieuwe vertaalkundige ontdekking die hij in de tekst meent te hebben gedaan. Pas aan het slot merkt hij op dat schrijven hem vermoeit. Oera Linda Wiki

Dat laatste kan uiteraard wijzen op ziekte of verzwakking. Maar uit de brief blijkt geen intellectuele capitulatie. Voor zover uit het beschikbare materiaal valt op te maken, bleef hij begin januari 1879 overtuigd van de waarde en echtheid van het manuscript.

Wie wil beweren dat hij in de korte periode tussen deze brief en zijn dood alsnog radicaal van mening veranderde, heeft daarvoor een bron nodig.

En juist daar begint het probleem.

Van “volgens sommigen” naar een feit

In zijn proefschrift De Gemaskerde God uit 2004 schreef Goffe Jensma over Ottema’s einde nog voorzichtig. Hij verwees naar mondelinge mededelingen van Adriaan Lysen en Pieter Gerbenzon en schreef:

“Volgens sommigen heeft Ottema uiteindelijk toch ingezien, dat hij had gedwaald…”

Daarop volgde het verhaal dat Ottema met die waarheid niet verder wilde leven en zich ophing. Fryskednis

Twee jaar later was de voorzichtigheid verdwenen. In Jensma’s uitgave van Het Oera Linda-boek uit 2006 werd dezelfde geschiedenis zonder dat voorbehoud verteld. Ottema zou in 1879 “uiteindelijk” hebben ingezien dat hij ongelijk had gehad, waarna hij zich zou hebben verhangen. Fryskednis

Dat verschil tussen 2004 en 2006 was voor mij in 2010 aanleiding Jensma rechtstreeks naar zijn bron te vragen.

Hij verwees aanvankelijk naar zijn proefschrift. Toen ik liet weten de bewering nog steeds weinig geloofwaardig te vinden, antwoordde hij dat hij zich baseerde op twee naar zijn oordeel onafhankelijke bronnen en dat daarom van “geverifieerde informatie” kon worden gesproken. Hij voegde eraan toe dat een eventuele onjuistheid over de zelfmoord niets zou veranderen aan zijn algemene conclusies over het Oera Linda-boek. Oera Linda Wiki

Maar die twee bronnen waren Lysen, geboren in 1921, en Gerbenzon, geboren in 1920. Beiden kwamen dus pas ruim veertig jaar na Ottema’s dood ter wereld.

Dat betekent niet dat hun mededelingen waardeloos waren. Mondelinge familie- en stadsoverlevering kan historische informatie bewaren. Maar het maakt ze geen onafhankelijke ooggetuigenbronnen. Twee personen kunnen bovendien dezelfde oudere overlevering hebben gehoord. “Twee bronnen” is daarom niet automatisch hetzelfde als twee onafhankelijk bevestigde lijnen van bewijs.

Dat was precies het punt van mijn antwoord aan Jensma.

De wezenlijke vraag: dood of inkeer?

Opvallend genoeg ging de correspondentie vervolgens grotendeels over de vermeende zelfmoord, terwijl mijn belangrijkste bezwaar ergens anders lag.

Ik schreef Jensma dat de vraag of Ottema zelfmoord had gepleegd voor mij minder interessant was dan zijn beweerde meningsverandering. Als werkelijk bekend was geweest dat Ottema vóór zijn dood de echtheid van Oera Linda had verworpen, dan zou dat voor de hevige discussie rond het boek buitengewoon relevante informatie zijn geweest.

Waarom duikt zo’n cruciale herroeping dan pas meer dan een eeuw later op?

Waarom is zij niet terug te vinden in de omvangrijke negentiende-eeuwse discussie?

Waarom niet in de publicaties uit de jaren twintig en dertig, toen opnieuw fel over Oera Linda werd gestreden?

En vooral: waar is de bron waarin Ottema zelf, een tijdgenoot of een aanwezige zo’n ommekeer vastlegt? Oera Linda Wiki

Jensma antwoordde dat Lysen uit een familiekring rond HaverSchmidt kwam en dat beide informanten uit gegoede Leeuwarder milieus stamden. Hij wees daarnaast op een brief uit 1876 van Hooft van Iddekinge aan Jacob Dirks, waarin medelijden wordt uitgesproken met Ottema en de schrijver betreurt dat deze in zijn “dwalingen” volhardt. Oera Linda Wiki

Die brief is interessant. Hij bewijst dat de controverse Ottema pijn kan hebben gedaan en dat sommige tijdgenoten hem als koppig en verblind beschouwden.

Maar hij bewijst precies niet wat nodig is.

De schrijver zegt immers dat Ottema blijft volharden.

Dat is het tegenovergestelde van een bron voor zijn latere herroeping.

Een onbekende bron over het sterfbed

Daar komt nog een merkwaardige latere bron bij.

In een tot dusver ongepubliceerd betoog, geschreven ergens tussen 1939 en 1949 en mogelijk van de hand van Eeltje Molenaar, staat een passage over een zekere heer Menalda. Die zou namens personen die bij Ottema’s sterfbed aanwezig waren hebben verklaard dat Ottema juist tot het einde toe aan de echtheid van het Oera Linda-boek vasthield.

Volgens die tekst zou Ottema op zijn sterfbed uitdrukkelijk hebben gezegd dat het OLB echt was. Fryskednis

Die bron moet voorzichtig worden gebruikt.

De auteur van het betoog is nog niet met zekerheid vastgesteld. Ook de identiteit van de genoemde Menalda is nog onderwerp van onderzoek. Bovendien is het verslag zelf tientallen jaren jonger dan Ottema’s overlijden.

Het zou daarom verkeerd zijn om hiermee simpelweg het ene late verhaal door een ander laat verhaal te vervangen.

Maar juist wanneer we dezelfde maatstaf toepassen die voor Lysen en Gerbenzon werd gebruikt, ontstaat een probleem. Als een mondeling overgeleverde mededeling uit de twintigste eeuw voldoende zou zijn om Ottema’s inkeer als feit te presenteren, kan een tegengestelde twintigste-eeuwse overlevering niet zonder onderzoek worden genegeerd.

De correcte conclusie is niet dat deze sterfbedbron de zaak definitief beslist.

De correcte conclusie is dat de vermeende herroeping niet bewezen is.

En de zelfmoord?

Voor de zelfmoordclaim is het bronnenbeeld nog problematischer.

De Leeuwarder registratie die in het onderzoek van Nico Luitse werd teruggevonden vermeldt longontsteking als doodsoorzaak. Luitse kende dit gegeven al in 1990. De burgerlijke stand bevestigt dat Ottema op 19 maart 1879 in Leeuwarden stierf. Fryskednis

Daartegenover staat geen tot dusver aangetroffen eigentijds verslag van ophanging.

Toch begon juist dat dramatische element zich na Jensma’s publicaties steeds verder te verspreiden.

In 2011 schreef wetenschapsjournalist Chris Reinewald dat Ottema zich in 1879 verhing. In 2019 meldde de Leeuwarder Courant dat hij een eind aan zijn leven maakte. In 2022 werd het verhaal verder aangedikt: de discussie zou hem tot waanzin hebben gedreven en na het besef dat alles verzonnen was, zou hij zich hebben verhangen. In januari 2024 verscheen opnieuw in de Leeuwarder Courant de mededeling dat Ottema zichzelf als gevolg van het Oera Linda-boek van het leven zou hebben beroofd. Fryskednis

Zo ontstaat een merkwaardig proces.

Een mondelinge overlevering wordt eerst weergegeven als:

“volgens sommigen…”

Twee jaar later wordt dat:

“Ottema zag uiteindelijk in dat hij ongelijk had…”

Vervolgens wordt in secundaire publicaties:

“hij verhing zich”

aangevuld met:

“de discussie dreef hem tot waanzin.”

Hoe verder de gebeurtenis in het verleden raakt, hoe gedetailleerder het verhaal wordt.

Dat is precies de omgekeerde richting van gezonde geschiedschrijving.

Wat Jensma in 2010 zelf schreef

De correspondentie eindigde overigens minder vijandig dan uit alleen de polemiek zou kunnen worden afgeleid.

Nadat wij het oneens waren gebleven over zijn werkwijze schreef Jensma mij op 3 november 2010 dat hij mijn betrokkenheid bij het Oera Linda-boek waardeerde. Over Ottema schreef hij dat wij het waarschijnlijk eens waren over het tragische van diens geschiedenis. Hij voegde eraan toe dat Ottema “een droom” had en dat hij, juist vanwege Ottema, liever zou willen dat deze daarin had volhard. Oera Linda Wiki

Dat is een opmerkelijke afsluiting.

Niet omdat Jensma daarmee zijn eerdere voorstelling introk — dat deed hij niet — maar omdat zij laat zien dat de historische persoon Ottema ook voor hem meer was dan een karikatuur.

Juist daarom verdient die persoon beter dan een goed klinkend verhaal dat gaandeweg harder is geworden dan zijn bronnen toelaten.

Wat eerherstel wel en niet betekent

Eerherstel voor Ottema betekent niet dat wij hem achteraf gelijk moeten geven over de ouderdom van Oera Linda.

Die vraag moet met andere argumenten worden onderzocht.

Het betekent ook niet dat iedere kritiek op zijn werk onterecht was. Sommige vertalingen bleken aantoonbaar voor verbetering vatbaar; sommige historische conclusies waren speculatief; en de argumenten voor en tegen de ouderdom van het handschrift moeten los van zijn persoonlijke overtuiging worden beoordeeld.

Eerherstel betekent iets eenvoudigers.

Ottema behoort niet als historische les te worden opgevoerd met eigenschappen en gebeurtenissen waarvoor de bronnen tekortschieten.

Hij was een geschoold classicus, een langdurig actief lid en bestuurder van het Friesch Genootschap, en een onderzoeker die in zijn laatste levensjaren uitzonderlijk veel energie in Oera Linda stak. Zijn laatste bekende brief over het onderwerp toont geen bekering tot de vervalsingshypothese, maar juist enthousiasme over een nieuwe tekstuele vondst. Fryskednis

Voor de bewering dat hij vóór zijn dood inzag dat het boek vals was, is tot dusver geen eigentijdse bron aangetroffen.

Voor de bewering dat hij zich uit wanhoop daarover verhing evenmin; daar staat bovendien een geregistreerde doodsoorzaak longontsteking tegenover. Fryskednis

Een latere bron beweert zelfs het tegendeel wat zijn overtuiging betreft: dat hij tot op zijn sterfbed aan de echtheid vasthield. Die mededeling verdient verder onderzoek, maar hoeft niet bewezen te worden om de bestaande voorstelling ter discussie te stellen. Fryskednis

De bewijslast ligt immers bij degene die de dramatische herroeping en zelfmoord als historische feiten presenteert.

Hoe een verhaal een bron verving

Misschien is daarom niet eens Ottema’s vermeende einde het interessantste aspect van deze geschiedenis.

Interessanter is hoe gemakkelijk een goed verhaal een bron kan vervangen.

Ottema was voor de inmiddels dominante vervalsingstheorie een bijna volmaakt personage: de geleerde die zich door zijn verlangen naar een groots Fries verleden liet meeslepen, waarschuwingen negeerde, steeds geïsoleerder raakte en uiteindelijk de vernietigende waarheid ontdekte.

Binnen zo’n verhaal voelt zijn zelfmoord bijna noodzakelijk.

Maar een gebeurtenis wordt niet waarschijnlijker doordat zij narratief bevredigend is.

Integendeel: hoe mooier een detail in een bestaand verhaal past, hoe belangrijker het is om naar de bron te vragen.

Dat geldt voor voorstanders én bestrijders van Oera Linda.

Jan Gerhardus Ottema heeft geen behoefte aan een nieuwe legende waarin hij achteraf alsnog overal gelijk krijgt. Hij verdient iets beters: dat wij hem lezen, zijn werk beoordelen, zijn fouten onderscheiden van zijn verdiensten, en over zijn laatste maanden niet méér beweren dan de bronnen toestaan.

De discussie over Oera Linda kan daarna gewoon verdergaan.

Maar dan zonder een dode geleerde een bekentenis en een dood toe te schrijven die vooralsnog niet uit zijn eigen tijd kunnen worden aangetoond.

A New Phase for the Oera Linda Project


Artificial intelligence is not actually a new subject to me. During my studies I was already deeply interested in ideas directly related to it: neural networks, self-organisation, learning, system behaviour, and the question of how complex structures can emerge without every step being centrally programmed in advance.

image used for Netwerkstuk,
from Volkskrant 19-5-1990
This can be seen in three of my earlier papers. In Netwerkstuk (May 1991), I explored neural networks in connection with learning, the brain, robotics, movement science and self-organisation. Selforganisation (June 1991) focused more specifically on the way order and coordinated behaviour can emerge within complex systems without a central controller — while also asking the critical question of what mechanism actually lies behind such apparently spontaneous organisation. In Neural Networks (July 1994), this line of thought had developed further, distinguishing between the level of individual neurons, the behaviour of a network, and the function of the system as a whole, while contrasting conventional programming with solutions that emerge from the network itself.

Looking back, there is an obvious connection between those interests and the present development of AI. Yet I have only recently rediscovered the practical usefulness of the current generation of artificial intelligence. For a long time I approached it with considerable suspicion and some reluctance to take the plunge. Its limitations are real, errors can be presented with great confidence, and many applications are far more superficial than the technology initially suggests.

But by beginning to work with it more seriously, I have started to recognise something that fascinated me more than thirty years ago: not merely a machine that executes instructions, but a system capable of helping us detect patterns, relationships and unexpected connections on a scale that a single researcher can hardly survey manually.

For the Oera Linda project, this opens up remarkable possibilities.

One obvious application is textual analysis. Different versions of the Oera Linda text can be compared much more systematically. AI can help identify recurring motifs, linguistic patterns, internal connections, and differences between transcriptions and translations.

A second field is the study of parallels and possible overlaps with other traditions. Historical texts, folk traditions, mythological motifs, archaeological evidence and other sources can be compared much more efficiently with specific Oera Linda passages. AI does not provide proof and must never replace source criticism, but it can be an exceptionally powerful instrument for discovering possible connections that can then be investigated and verified independently.

The possibilities for studying the Fryas language are equally significant. Vocabulary, grammatical patterns, variants and contexts can be analysed more systematically. In time, this may support educational tools for studying and practising Fryas, and perhaps even an experimental translation module from and into the language.

AI also creates new ways of making the material accessible. Parts of the texts can be visually reconstructed, developed as scenes or presented cinematically. Maps and other educational material can be produced more easily. We are also working on reading versions for new audiences, including an adaptation for curious and advanced younger readers.

These possibilities have convinced me that the time has come for a broader renewal of the Oera Linda project as a whole.

During the coming period, all public channels will therefore be reviewed, better interconnected and, where necessary, reorganised. The aim is not simply to put more material online. On the contrary, so much material has now accumulated that the main task has become one of organisation, preservation, connection and accessibility.

The highest priority will be the reorganisation and optimisation of the web archive of the Oera Linda project.

The provisional order of work is:

  1. Oera Linda Wiki
    The wiki will be developed into the central knowledge base of the project. Manuscript pages, transcriptions, the Fryas text, translations, historical sources, people, places, word studies and research will become increasingly interconnected. The distinction between primary source, transcription, translation, commentary and interpretation will also be made more explicit. This is important both for human researchers and for responsible use of AI.

  2. Fryskednis
    Valuable material will be inventoried and, where possible, linked to or incorporated into the central knowledge structure. The long-term aim is no longer to maintain Fryskednis as an active publication platform, but to preserve it as a historical archive.

  3. Aldfryas
    Relevant content will likewise be preserved and, where appropriate, transferred into the new structure. Aldfryas can then eventually be retired as an active platform and preserved as an archive.

  4. Oera Linda Forum
    The forum contains many years of discussions, hypotheses, source references and substantive exchanges. This history should also become more accessible and searchable, and where useful be connected to the central knowledge base.

  5. Oera Linda YouTube channel
    The channel will be further developed as the visual and educational extension of the project, combining existing material with new presentations, analyses, reconstructions and visual experiments.

  6. Archive.org and other channels
    Older files, scans, publications, videos and other materials will be better organised, described and connected to the central structure, ensuring that the earlier history of the project remains permanently discoverable.

This reorganisation emphatically does not mean that older material will simply disappear. The principle is instead:

preserve what is valuable, archive what is historically important, improve what can be improved, and connect what is currently scattered.

In a sense, this brings an old interest back in a new form. The questions that occupied me in the early 1990s — how networks learn, how patterns emerge, and how individual parts interact to form a larger system — have unexpectedly become practically useful for a project I am working on decades later.

AI therefore does not become a new purpose of the Oera Linda project, and certainly not a replacement for independent research. It is a new instrument serving the same purpose that has always been central: making sources accessible, studying texts critically, investigating connections, making findings verifiable, and preserving the material for everyone who wishes to examine it for themselves.

04 September 2026

Frisian students discuss Oera Linda

Frisian students in Wageningen

Dispute or debate?

The oldest and most prominent Frisian student association, Frisia in Leiden, is not a member of it: 

The Dutch Federation of Frian Student Unions, a cooperative of three Frisian social clubs in Wageningen, Delft, and Groningen.

Crest of the
Leiden Pealmantsjes
In a leaked memo, a leading member of this Federation discusses the controversial Oera Linda. “It is a very interesting topic” and “It describes Friesland as the pinnacle of classical civilisation!”, but [...]

The Wageningen students have the Yule, the six-spoked wheel from Oera Linda, on its flag, and novices of Leiden’s Frisia use the same wheel, adorned with the letters “tanfang” – The Beginning (of Time) from Oera Linda.

[more texed to be (GI) translated and added later]




Codex Oera Linda, ch. K1. Era of Tunis / Waraburg: Magyara [052/02]


LC 6-1-1933 “As simboal is keazen
it wite jûlrêd op in swarte flagge.”

05 July 2026

Friese studenten in den vreemde

De Wageningse afdeling van
de Friese studentenfederatie

Een nieuwe generatie Oera Linda-bestrijders?

De oudste en meest vooraanstaande Friese studentenvereniging, het corporale Frisia te Leiden, is er geen lid van: de Federaasje fan Fryske Studinteferienings, een ‘Frysk’-talig samenwerkingsverband van drie gezelligheidsverenigingen, in Wageningen, Delft en Groningen.

Een gezaghebbend lid van dit subsidiefriese verbond noemt in een gelekte memo de controversiele Oera Linda in tige nijskjirrich (een zeer interssant) ûnderwerp. “Hjir wurdt Fryslân delset as it hichtepunt fan de klassike samenleving”! Ze voegt er echter aan toe dat de Westfriese onderzoeker en vertaler Jan Ott buiten de discussie moet worden gehouden, vanwege syn blik op wittenskip en wierhyd.

De Wageningse vereniging van Friese studenten heeft het Joel, het zes-spakige wiel van Oera Linda op haar vlag en het Leidse Frisia biedt hun eerstejaars Pealmantsjes (vernoemd naar dichter Piet Paaltjens) een wapen met hetzelfde wiel, voorzien van de letters “tanfang” – Het Aanvang (begin van de tijd) uit Oera Linda. Op studentikoze wijze geven ze, op een aan het boek gewijde webpagina, toe er verder geen verstand van te hebben.

Wapen van de
Leidse Pealmantsjes

Wie zich er wèl in verdiept heeft is Goffe Jensma, emeritus professor Friese taal en letterkunde te Groningen, in 2004 als doctorandus geschiedenis gepromoveerd op zijn stelling dat de geheimzinnige dichter Piet Paaltjens rond 1860 de Oera Linda zou hebben bedacht. Uit een samenzwering met de taalkundige Eelco Verwijs en de Noord-Hollandse scheepstimmerman Cornelis Over de Linden zou het handschrift zijn ontstaan, dat naar de eerste vertaling (1872) Oera Linda Boek ging heten.

Jensma publiceerde in 2006 de derde Nederlandse vertaling (na die van Ottema en Overwijn), de eerste die werd gemaakt vanuit de aanname dat het een 19e eeuwse theologisch-filosofisch geïnspireerde grap betreft. De meest recente vertaling, in 2021 en 2022 uitgegeven door Stichting Oera Linda, is een Engelse samengesteld door Jan Ott, met kleurenafbeeldingen van alle 190 handschriftbladzijden. Jensma verwees ernaar in december 2021 tijdens een live uitgezonden kerstcollege vanuit de oude Friese universiteitsstad Franeker als een hele goeie oersetting.


Jan Ott studeerde in de jaren ’90 Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, was als student actief corpslid en werd na zijn afstuderen eerst onderzoeker voor — later bestuurder en woordvoerder van de federatie van bioscopen en filmmaatschappijen, in een kantoor naast het Rijksmuseum. Tijdens een sabbatsjaar, in 2009 ontdekte hij de Oera Linda, wat leidde tot een nauwgezette studie van vooral de Fryas taal waarin het handschrift is geschreven, alle openbare discussies erover, studies ernaar en briefwisselingen. Veel daarvan is terug te vinden op de door zijn stichting opgezette Oera Linda Wiki.

Het bestuurslid van de linkse, doch koningsgezinde studentenfederatie waarschuwt in haar memo voor Ott, die (vertaald:) “vaak aanschuift bij extreemrechtse podcasts en talkshows”. Doctorandus Ott zou zich tegen de wetenschap keren, wat hem pseudowittenskipper maakt. Hij heeft “in bytsje it gedachtengoed fan datst net alles liuwe moatst dat dy ferteld wurdt”.

Kennelijk is het voor deze student vanzelfsprekend dat wèl te doen: alles geloven wat je (door een autoriteit) wordt verteld.

[ Meer bijzonderheden en de gehele memo staan op fryas.net: Herinneringen 1968-2026. ]

“Vrijdenkerij”, kent u die uitdrukking? Definitie op Wikipedia:

Vrijdenkerij (in België: vrijzinnigheid) of vrijdenken, is de opvatting dat men zich in het denken door de rede, wetenschap dan wel logica laat leiden, en niet door (autoriteits)geloof, traditie of paradigma. Vrijdenkers keren zich tegen elke vorm van dogma.

Friezen staan bekend om hun vermeend traditionele vrijheidszin en het allitereert inderdaad mooi: Frysk en Frij. Maar hoe vrij van geest is de gemiddelde Fries nog?

Codex Oera Linda, hk. K1. Tijdperk Tonis / Waraburg: Magjaren [052/02]

Maar verder zijn ze niet te benijden, want ze zijn slaven van de priesters en wat nog veel erger is, van hun overtuigingen [of: meningen]. Ze geloven [of: menen] dat overal kwade geesten zijn, die bezit nemen van mens en dier. Van Wralda’s Geest weten ze echter niets.

[Aanvullend, 23 juli:]

Uit “Redbad als icoon van de Friese identiteit” (door O.S. Knottnerus) in De Vrije Fries 2021, bl. 61-62 (onderstreping toegevoegd):

“[...] het Fryske Studinte Selskip Radbod te Utrecht [...], later omgedoopt tot Redbad to Utert. Samen met andere studentenverenigingen, waaronder Aldgillis te Delft en Bernlef te Groningen, vormde men een federatie en hield men ieder jaar een congres. Onder de noemer van Frysk Nasjonael Striidboun ‘De Swarte Heap’ organiseerde Piebenga na afloop van het derde Friese Studentencongres op 23 december 1932 een demonstratie in Leeuwarden, die uitliep op een handgemeen met de politie. [...] Tegelijkertijd onthulde het Striidboun zijn nieuwe vlag: een wit joelrad – de Friese variant van het hakenkruis – op een zwarte ondergrond, geheel in lijn met de theorieën van Herman Wirth die de scheppende kracht van de runensymboliek benadrukten.” [noot: LC, 6 januari 1933; vgl. de verontruste reactie van G.A. Wumkes, ‘Redbadflagge en Swarte Heap’, LC, 10 januari 1933.]

LC 6-1-1933 “As simboal is keazen
it wite jûlrêd op in swarte flagge.”

23 April 2026

Ottema’s «midwife» — short case study

The Midwife
In 1876 English Oera Linda version by Sandbach (of Ottema’s 1872 Dutch translation), page 33 (underlining added):

10. The Grevetman and his council shall take twenty parts;
the keeper of the market ten, and his assistants five;
the Volksmoeder one, the midwife* four,
the village ten,
and the poor and infirm shall have fifty parts.

[*Ottema: vroedvrouw]

Original text [020/24-30]:

10. THI GRÉVETMAN MITH SINUM GRÉVUM SKIL THÉROF BÜRA TWINTICH DÉLA.
THENE MÀRKRJUCHTER ÀND SINUM HELPAR. FIF DÉLA 
[MÀRKJELD. TJAN DÉLA.]*
THJU FOLKSMODER ÉN DÉL. THJU GÁMODER FJUWER DÉLA.
THÀT THORP TJAN DÉLA.
THA ÀRMA. THAT IS THÉRA. THAM NAVT WÀRKA NI KUNNA NI MÜGE FIFTICH DÉLA.

[* added on bottom of page]
 Translation Ott — chapter Eb. Common Laws, art. 10:

10. The reeve and his aldermen shall receive twenty parts thereof;
the market judge and his helpers five parts, 
ten parts for the market itself; 
the Folksmother one part and the regional mother four parts; 
the village ten parts, 
and the poor — that is, those who are unable or in no position to work — fifty parts.

- - -

In letter Ottema to Over de Linden, 21 October 1871:

On page 20, article 10, the term gâ moder appears, which I translated as village mother, without knowing who was actually meant, as has now become clear to me. She is the midwife. In the countryside, she is often called the goodwife or goodmother. Perhaps in your area too. Please be so kind as to correct this in my translation. [note]

Earlier in the text, on pp. 4-5, he translated:

thät-er Mâgy se nên yne gâ of wnnen heth thrvch thät weld synra wêpne

as: 

that the Magy has not won a single village* from them by force of arms [*Ottema: dorp]

In transliteration Ott, the concerning word [001/31] is spelled GÁ-MODER. Some cognates of GÁ are:

  • gō (county, region, residential area) - Old Dutch
  • gouw (county, landscape, region, land area) - Middle Dutch
  • gouw (pagus, region) - Dutch (19th century)
  • goa (county, region, part of a province), gea (village with the surrounding land, region, landscape) - Frisian
  • Gau (region within a country) - German

From the wider context, it is clear that these regional mothers (GÁ-MODERA) must be “the Mothers at the other burgs” (that is: other than the (Folks)mother of Fryasburg at Texland), from the previous chapter Ea. Burg Laws:

1. When a burg is built somewhere, its Lamp must be kindled from the original flame at Texland, and that may only be done by the Folksmother.

2. Every Mother shall choose her own Maidens, as shall the Maids who serve as Mothers at the other burgs.

- - -

[note] Original Dutch: “Op bl. 20 in art. 10 komt voor de gâ moder , door mij vertaald dorpsmoeder, zonder te weten, wie dat dan eigenlijk wezen zoude, is mij nu duidelijk geworden. Zij is de vroedvrouw. Ten platten lande noemt men haar wel de goedvrouw of goedmoer . Misschien ten uwent ook wel. Wees zoo goed dit in mijne vertaling te verbeteren.”

28 February 2026

Ottema’s Standskrift page

composition with Cornelis Over de Linden
(COL, 1811-1874) and
Jan G. Ottema (JGO, 1803-1879)
 ... was against Over de Linden’s will — relevant parts from four letters, written June 1872

Sources: letters Cornelis Over de Linden; letters Jan G. Ottema (transcriptions from copies of originals in handwriting on Oera Linda wiki/ fryas.net). Spelling modernized for easier checking of the translation.

Related earlier posts:

fig. 1a (left: so-called facsimile) and 1b (right: original from MS pp. 46-47)

Thursday, June 6 — COL to JGO
Gisteravond heb ik de verbeterde plaat [afb. 1a] ontvangen. Doch ook met deze ben ik nog niet in mijn schik, omdat zij geen zuivere voorstelling van het handschrift [afb. 1b] geeft. Last night I received the improved plate [fig. 1a]. But I am not yet satisfied with this one either, because it is not a fair representation of the manuscript [fig. 1b].
[...] Dat U het runschrift hebt weggelaten spijt mij ook. Zijn deze letters van later vinding, daarvoor is U niet verantwoordelijk. [...] I am also sorry that you left out the Runscript. If these letters are of later invention, you are not responsible for that.
[...] Daar U enige photografien van het handschrift hebt laten maken die nu ook in handen van geleerden zijn, zo vrees ik dat die u over die vrijheid genoeg zullen lastig vallen. [...] Since you have had some photographs taken of the manuscript, which are now also in the hands of scholars, I fear that they will bother you enough about that freedom.
Als ik u dus met mijn burger verstandje iets mocht raden, dan zou ik zeggen: zie van die verminking af. So if I could advise you something with my common sense, I would say: refrain from that mutilation.

Sunday, June 9 — JGO to COL
Wat de letters betreft, een vergelijking met de photografie zal u doen zien, dat de steendrukker die nauwkeurig gevolgd heeft, voor zoover het standschrift betreft. As for the letters, a comparison with the photo will show you that the lithographer followed them closely, as far as the Standscript is concerned.
De figuren die in het HS als runskrift getekend zijn, behoren er niet toe. De soort van lettertrek wijst uit dat zij er (vroegstens) in het begin der vorige eeuw bij kunnen getekend zijn. Hiddo oera linda had dat alfabet in runskrift weggelaten, als onnodig, omdat het boek zelf in runskrift geschreven was. The figures drawn as Runskrift in the MS are not included. The type of character shows that they could have been drawn (at the earliest) at the beginning of the last century. Hiddo oera linda had omitted that alphabet in runskrift, as unnecessary, because the book itself was written in runskrift.
Maar wat voor hem niet nodig was, is voor mij bij de druk nodig om aan te geven door welke letters ik de letters van het runskrift tracht aan te duiden. Door middel van die opgave kan men ten allen tijde naar de gedrukte tekst het boek in zijn oorspronkelijk schrift herstellen. But what was not necessary for him is necessary for me in the printing to show by which letters I try to indicate the letters of the Runskrift. By means of this statement, the book can be restored to its original script at any time.
Ik wou om een mooi ding, dat die fantasieletters er nooit gestaan hadden, want zij hebben al meer dan te veel kwaad gedaan, terwijl het zien daarvan de mensen in de waan heeft gebracht en doen zeggen, dat schrift kan niet meer dan honderd jaar oud zijn. I wish that those fantasy letters had never been there, because they have already done more than too much harm, as seeing them has given people the illusion that the writing cannot be more than a hundred years old.

fig. 2 — last page of letter June 11

Tuesday, June 11 — COL to JGO (image 2)
Een verzoek om revisie [...] ook aan u, en aan alle lieden welke het zogenaamde runschrift als van jongere datum verwerpen. A request for revision [...] also to you, and to all people who reject the so-called Runscript as being of a later date.
[...] Wanneer Gij zoo zwak zijt om het lopend schrift, uit vrees voor enige schreeuwers te verwerpen dan is het zo goed alsof gij met een schede wilde duelleren terwijl gij hun de degen in handen geeft. [...] When You are so weak as to reject the cursive script, out of fear of some noisy objectors, it is as if you would duel with a scabbard while handing them the sword.
Immers in het handschrift staat “Toen Fæsta eremoeder was, heeft zij er het run of lopende schrift van gemaakt. De Witkoning dat is zeekoning Godfried” enz. After all, the manuscript states, “When Festa was honorary mother, she used it to make the cursive [Run-]script. The Witkeaning that is sea-king Godfried, etc.
Welnu, als het runschrift er over een grote 100 jaar ingebracht is dan is het bovenstaande er ook ingebracht, en dan kan al het andere er ingebracht zijn. Ik blijf dus tegen de verminking protesteren. Well, if the cursive script was added over 100 years ago, then the above was also added, and everything else could have been added. So I continue to protest the mutilation.

Wednesday, June 12 — JGO to COL
Het Standschrift is de lettervorm in het jol getekend, dat Staand schrift is de Standaard, het model, maar voor het dagelijks gebruik te omslachtig en te moeilijk. The Standscript is the letter form drawn in the wheel; that Standscript is the standard, the model, but too cumbersome and difficult for daily use.
Zo is ook het HS niet in Standschrift geschreven, Fæsta heeft er het runskrift van gemaakt door de zaak te vereenvoudigen, door de letter van het jol te ontdoen en daarbij de letters gelijk van grootte te maken. Likewise, the MS is not written in Standschrift; Fæsta derived the Runskrift from it by simplifying the matter, by removing the letter from the wheel and making the letters the same size.
In dat runschrift is ook het HS geschreven. Dit letterschrift is het run, dus niet de figuurtjes op pag. 46. Als gij dit goed bekijkt, dan zult gij zien: The MS is also written in that script. This typeface is the run, so not the figures on page. 46. ​​If you look at this carefully, you will see:
l. dat zij met een ganzenschacht geschreven zijn, en niet met het penseel zoals het gehele HS.
2. dat de inkt verbleekt is en van een geheel andere soort, als de zuiver zwarte onverbleekte inkt van het HS. De oude inkt is niet ijzerhoudend, en verbleekt of verroest niet, zoals de latere ijzerhoudende inkt. Die oude inkt in de 13e eeuw komt meer met de Chinese inkt overeen.
l. that they were written with a quill, and not with a brush like the entire MS.
2. that the ink is faded and of a completely different kind than the pure black unbleached ink of the MS. The old ink is not ferrous, and does not fade or corrode like the later ferrous ink. That old ink in the 13th century is more similar to Chinese ink.
Bovendien als dat schrift het dagelijkse of lopend schrift was, dan had het HS in dat schrift moeten geschreven zijn. Moreover, if that script was the daily or running script, then the MS should have been written in that script.
[...] Nu had Hiddo oera Linda niet nodig bij zijn alfabet op te geven, hoe het runskrift eruitzag. Het hele HS was runskrift. Hij heeft daarom die ruimte open en oningevuld gelaten. [...] Now Hiddo oera Linda did not need to indicate what the Runskrift looked like with his alphabet. The whole MS was Runskrift. He therefore left that space open and unfilled.
Van die opene ruimte is later door iemand gebruik gemaakt, om te beproeven met lettervormen in de trant van onze Kapitaal schrijfletters, die Oudfriese letters weer te geven; even zoals nog onze Kapitaal drukletters de afstammelingen zijn van het oude handschrift. Someone later used this open space to experiment with letter forms in the style of our capital writing letters, to represent those Old Frisian letters; just as our capital printing letters are the descendants of the old handwriting.
[...] Die krulletters hebben met het originele HS evenmin iets te maken als de paginering. Zij behoren er niet toe en dienen trouwens ook nergens voor, omdat er geen geschrift bestaat met zulke letters geschreven. Het is en blijft een fantasie-alfabet. [...] Those curly letters have no more to do with the original MS than the pagination. They do not belong to it, nor are they of any use, because there is no scripture written with such letters. It is and remains a fantasy alphabet.
Kurrent is an old form of handwriting of the German language based on late medieval cursive writing, also known as Kurrentschrift (“cursive script”), deutsche Schrift (“German script”), and German cursive. (Wikipedia)
Some important details lost due to the mutilation, for example the Runskrift T, F and NG:


= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = 

Added May 18:

25-8-1871 — letter JGO to COL
Jhr Mr de Haan Hettema is onder het thans leevend geslacht de man die het meest ervaren is in de oud Friesche taal, en deze beschouwd het geschrift als gedenkstuk van oud Friesche taal van onschatbare waarde.Lord (and Master of Law) De Haan Hettema is, among the currently living generation, the man most experienced in the Old Frisian language, and he regards the writing as a monument of Old Frisian language of inestimable value.

Dit [Fàsta’s Run-] schrift kan dus niet vroeger dan uit het begin der achttiende eeuw na Christus zijn.This [i.e. Festa’s current/cursive or loping/running] script, therefore, cannot date from earlier than the beginning of the eighteenth century AD.

12-9-1871 — letter JGO to COL
(...) zijn vermoeden als zoude het geschrift in de vorige eeuw opgesteld zijn, [is ongegrond], om de zeer eenvoudige reden, dat hier te lande niemand ooit de oude Friesche taal grammatikkaal beoefend heeft dan juist hij Jhr Mr M. de Haan Hettema. Hij zoude alleen in staat geweest zijn in die taal eenig geschrift op te stellen.(...) his suspicion that the document was created in the previous century is unfounded, for the very simple reason that no one in this country has ever practiced the Old Frisian language grammatically except he himself, Lord M. de Haan Hettema. He alone would have been capable of composing any document in that language.

21-10-1871 — letter JGO to COL

04 February 2026

Ottema’s «LOF» — gevalsstudie

Bij een nieuwe studie naar de woordencombinatie NÍ LOF, kwamen door Ottema (in 1872) gemaakte fouten aan het licht, die in de meeste latere vertalingen zijn herhaald. Hier volgt een gevalsstudie.

I. Onjuiste transliteratie van (o.a.) NÍ en LOF (zie afbeeldingen).

Ottema gaf zowel Y als Í weer als y
Ottema gaf LOF weer als LÀF om het te kunnen vertalen als laf
Mij kwam het echter voor dat
“de lucht werd zwart en niet
moede van tranen te storten”
een betere zin daarstelde.

II. Onjuiste interpretatie ondanks aanwijzing door Over de Linden

De Fryas Í en Y worden soms door elkaar gebruikt (zo wordt Frya een paar keer gespeld als Fría), waardoor Ottema gedacht kan hebben dat hij beide letters wel kon weergeven als y. Daardoor zal hij te snel hebben aangenomen dat NÍ op ms. blz. 10 nieuw betekent, met als gevolg dat LOF niet moe kan zijn. Het tweede voorkomen van LOF, op bl. 69, werd door Ottema begrepen als laf, geholpen door een ‘aangepaste’ transcriptie als LÆF (of LÀF). Twee maal heeft Cornelis hem gewezen op niet moe als mogelijkheid, maar Ottema lijkt dit te hebben genegeerd (zie afbeelding).

Je worre niet louf [van te] kòiken
III. Niet loof (niet moe) worden
(van zekere activiteit) in Westfries woordenboek

In het Westfries woordenboek van Jan Pannekeet (1e druk was 1984) komen voor (zie afbeelding):

  • lof → loof (b.v. van aardappelen);
  • loof/ loef → 1. loefzijde, of 2. zwarte walm/ aanslag;
  • loof/ louf → vermoeid, afgemat.
De laatste variant krijgt de meeste aandacht en komt voor in diverse uitdrukkingen, o.a. Je worre niet louf [van te] kòiken (“je wordt het kijken niet moe”).

IV. Conclusie

“Niet loof worden van te ...” is exact de constructie die gebruikt is in “De lucht werd ... niet loof van tranen te storten”. In aanmerking genomen het feit dat op blz. 69 LOF ook voorkomt in een samenhang waarin vermoeid of uitgeput perfect past, ligt de conclusie voor de hand dat het door Over de Linden voorgestelde niet moe (van tranen te storten); oftewel langdurige regen waarschijnlijk de juiste uitleg is. De lucht kan donker (zwart) worden door hevige regenval, maar niet geel-groen. De zin kan voor de duidelijkheid worden gesplitst in:

  • De lucht werd zwart van tranen te storten
  • De lucht werd niet moe van tranen te storten

Met andere woorden: Het was donker door hevige, aanhoudende regen.

V. Ottema’s vergissing leeft voort

Hoe Ottema’s misinterpretatie van beide fragmenten met LOF in veel latere vertalingen/ versies werd overgenomen.

Transliteratie [010/25] ní lof fon tára to stirtane [069/19] to lof vmbe wider to gane
Ottema 1872/’76 geelgroen van tranen te storten te laf om verder te gaan
Sandbach 1876 [alleen: the air was dimmed by tears] too cowardly to go any further
Wirth 1933 [dit en meer overgeslagen] zu feige, um weiterzugehen
Overwijn 1941/’51 geelgroen van het tranen storten te laf om terug te gaan*
Pierce 1983 newleaf (yellow-green), washed by tears** too fearful to go on
Jensma 2006 niet moe van tranen storten te moe om verder te gaan
Menkens 2013 “hell grün” von Tränen (bis) zu herabstürzendem (Wasser)*** zu lau um weiterzufahren/-zugehen***
Ott 2026 EN (concept) (paraphr. with note:) [The sky grew black,] pouring forth unending tears. too exhausted to set sail again
Ott 2026 NL (concept) (paraphr.:) stortte onvermoeibaar tranen te moe om weer uit te varen

* Weergave LOF door Overwijn was wel juist; in 1941 verder  i.p.v. terug. / ** Pierce, die een zo nauwkeurig mogelijke weergave van de originele tekst nastreefde, bewees o.a. met washed by tears, dat hij weinig benul had van de Fryas taal. / *** Fragment [010] vergezocht; [069] te lauw?!

betreffende fragmenten met LOF en meest besproken vertalingen met noten
@quote_miner op Twitter

Gebruik van een gebrekkige vertaling kan leiden tot onjuiste conclusies en falende bewijsvoering. Bijvoorbeeld in nevenstaand bericht (uit een geloofsbelijdenis op Twitter) van een anonymus die mogelijk zelfs de versie van Pierce tot zijn favoriet heeft gemaakt, juist omdat diens yellow-green een verband met zwavelstof mogelijk maakt:
“(...) The air was black and newleaf (yellow-green), washed by tears (...)” So in these writings we find direct confirmation of (...) dimming of the sun with black ash and “newleaf” (sulphuric)-green dust.