04 February 2026

Ottema’s «LOF» — gevalsstudie

Bij een nieuwe studie naar de woordencombinatie NÍ LOF, kwamen door Ottema (in 1872) gemaakte fouten aan het licht, die in de meeste latere vertalingen zijn herhaald. Hier volgt een gevalsstudie.

I. Onjuiste transliteratie van (o.a.) en LOF (zie afbeeldingen).

Ottema gaf zowel Y als Í weer als y
Ottema gaf LOF weer als LÀF om het te kunnen vertalen als laf
Mij kwam het echter voor dat
“de lucht werd zwart en niet
moede van tranen te storten”
een betere zin daarstelde.

II. Onjuiste interpretatie ondanks aanwijzing door Over de Linden

De Fryas Í en Y worden soms door elkaar gebruikt (zo wordt Frya een paar keer gespeld als Fría), waardoor Ottema gedacht kan hebben dat hij beide letters wel kon weergeven als y. Daardoor zal hij te snel hebben aangenomen dat op ms. blz. 10 nieuw betekent, met als gevolg dat LOF niet moe kan zijn. Het tweede voorkomen van LOF, op bl. 69, werd door Ottema begrepen als laf, geholpen door een ‘aangepaste’ transcriptie als LÆF. (of LÀF). Twee maal heeft Cornelis hem gewezen op niet moe als mogelijkheid, maar Ottema lijkt dit te hebben genegeerd (zie afbeelding).

Je worre niet louf [van te] kòiken
III. Niet loof (niet moe) worden
(van zekere activiteit) in Westfries woordenboek

In het Westfries woordenboek van Jan Pannekeet (1e druk was 1984). Daarin komen voor lof → loof (b.v. van aardappelen); loof/ loef → 1. loefzijde, of 2. zwarte walm/ aanslag; loof/ louf → vermoeid, afgemat (zie afbeelding). De laatste variant krijgt de meeste aandacht en komt voor in diverse uitdrukkingen, o.a. Je worre niet louf [van te] kòiken (“je wordt het kijken niet moe”).

IV. Conclusie

“Niet loof worden van te ...” is exact de constructie die gebruikt is in “De lucht werd ... niet loof van tranen te storten”. In aanmerking genomen het feit dat op blz. 69 LOF ook voorkomt in een samenhang waarin vermoeid of uitgeput perfect past, ligt de conclusie voor de hand dat het door Over de Linden voorgestelde niet moe (van tranen te storten); ofwel langdurige regen hoogst waarschijnlijk de juiste uitleg is. De lucht kan donker (zwart) worden door hevige regenval, maar niet geel-groen. De zin kan voor de duidelijkheid worden gesplitst in:

  • De lucht werd zwart van tranen te storten
  • De lucht werd niet moe van tranen te storten

Met andere woorden: Het was donker door hevige, aanhoudende regen.

V. Ottema’s vergissing leeft voort

Hoe Ottema’s misinterpretatie van beide fragmenten met LOF in veel latere vertalingen/ versies werd overgenomen.

Transliteratie [010/25] ní lof fon tára to stirtane [069/19] to lof vmbe wider to gane
Ottema 1872/’76 geelgroen van tranen te storten te laf om verder te gaan
Sandbach 1876 [overgeslagen] too cowardly to go any further
Wirth 1933 [overgeslagen] zu feige, um weiterzugehen
Overwijn 1941/’51 geelgroen van het tranen storten te laf om terug te gaan*
Pierce 1983 newleaf (yellow-green), washed by tears** too fearful to go on
Jensma 2006 niet moe van tranen storten te moe om verder te gaan
Menkens 2013 “hell grün” von Tränen (bis) zu herabstürzendem (Wasser)*** zu lau um weiterzufahren/-zugehen
Ott 2026 EN (concept) (paraphr. with note:) rain fell ceaselessly too exhausted to set sail again
Ott 2026 NL (concept) (paraphr.:) van het onvermoeibaar tranen storten te moe om weer uit te varen

* Weergave LOF door Overwijn was wel juist; in 1941 verder  i.p.v. terug. / ** Pierce, die een zo nauwkeurig mogelijke weergave van de originele tekst nastreefde, bewees o.a. met washed by tears, dat hij weinig benul had van de Fryas taal. / *** Vergezocht.

betreffende fragmenten met LOF en meest besproken vertalingen met noten
@quote_miner op Twitter

Gebruik van een gebrekkige vertaling kan leiden tot onjuiste conclusies en falende bewijsvoering. Bijvoorbeeld in nevenstaand bericht (uit een geloofsbelijdenis op Twitter) van een anonymus die mogelijk zelfs de versie van Pierce tot zijn favoriet heeft gemaakt, juist omdat diens yellow-green een verband met zwavelstof mogelijk maakt:
“(...) The air was black and newleaf (yellow-green), washed by tears (...)” So in these writings we find direct confirmation of (...) dimming of the sun with black ash and “newleaf” (sulphuric)-green dust.

05 August 2025

Ottema’s voortschrijdend inzicht 1871-1872

Studies in de nieuwe Bibliotheek Oera Linda

Ottema’s voordracht Der Friezen Herkomst volgens Het Boek van Adela voor het Friesch Genootschap, februari 1871 (d.w.z. de in juni gedrukte versie), vergeleken met de Inleiding op zijn uitgaves (1872 en 1876) van Thet Oera Linda Bok.

In de eerste uitgave van 1872 staat aan het einde van de Inleiding (blz. V-XXVI) vermeld: “Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871.”

In de tweede uitgave (1876) volgt dezelfde Inleiding na twee toegevoegde teksten: Het handschrift (…) heeft al langen tijd vóór het jaar 1600 bestaan (blz. I-IV) en Voorbericht (blz. V-XVI), namelijk op blz. XVII-XXXVIII. Nu is deze vermelding vervangen door een voetnoot bij de titel (blz. XVII; onderstreping toegevoegd):

“Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.”

Onveranderd moet betrekking hebben op de Inleiding van de eerste uitgave uit 1872. De oorsprokelijke voordracht van februari 1871 (zoals in juni gedrukt uitgegeven) is immers noemenswaardig herzien.

De verschillen duiden het voortschrijdend inzicht in de beginfase van Ottema’s onderzoek.

Overzicht van de significante verschillen Inleidingen 1872 en 1876 ten opzichte van Voordracht 1871.

[toev. = toevoeging; verw. = verwijdering; wijz. = wijziging]

  • Bl. 3 all. De heer ... - toev. “eerste Meesterknecht bij ’s Rijks Marine-werf” en:
Het is gebleken, dat die traditie berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
  • Bl.3 all. Oogenblikkelijk ... - toev. “(Galliers) en Helvetiers” en:
B.G. I.29 en VI.14 / Echter blijkt uit V.48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste.
  • Bl.4 vervolg - wijz./toev. “vier zamengestelde ... medeklinkers: ng, th, ks en gs”
  • Bl.6 all. De taal ... - toev. “en veel zuiverder” en wijz.:
tusschen het Vlie en de Kinhem, in Wester Flyland → van het Vlie tot aan de Schelde
  • B2.7 witregel - toev.:
Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht, want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.

  • Bl.8 vervolg - wijz.:

Van Adela wordt door Wiljow op bl. 134 nog een geschrift genoemd→ Door Wiljow worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd
  • Bl.8 all. Voor de ... - toev. “eerste Cimbrische vloed ”
  • Bl. 9 vervolg - wijz. 520530 voor Chr.
  • Bl. 9 all. Het latere... - toev. “(303 voor Chr.,) 1890 jaren nadat Atland verzonken was”
  • Bl. 9 na all. Er liggen... - toev.:
Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.

De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters van Cybele.
  • Bl.10 voor all. De vestiging ... - toev.:
Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het verre onbekende Noorden afkomstig is.

In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen, waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen, dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus (zie b.v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N.B. aan den westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of zes oostelijk van daar op 22° N.B. nog een Minnagara. Die naam is zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna, den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.

Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.

  • Bl.10 all. De vestiging ... - wijz.:
    Bij geen der oude Geographen is de herinnering bewaard aan die voormalige zeeëngte of aan het ontstaan der landengte van Suez. Alleen vinden wij den naam bij Mozes terug Exod. XIV: I, als hij zich legert bij Pi ha chiroht, den mond der engte.→ Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte, waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven, maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.

  • Bl.13 voor all. Hoewel ... - toev.:

Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg 1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t.N.v.A. 1867. Toen men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer, dan hetgene Herodotus Lib.v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus, waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld.

Dubbel belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen, dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners (Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.

Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog bestonden en bewoond werden.

In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 250 j. v. Chr.) met zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft, »fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta.”

Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853, bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd kunnen verzinnen.

  • Bl.13 all. Hier daarentegen ... - toev.:
Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
  • Bl.15 vervolg - verw. Men denke aan Velleda bij Tacitus. Hist. IV: 61. Zij was burchtmaagd op Manna-garda forda (Munster.)
  • Bl.15 voor all. Ontmoeten wij ... - toev.:

Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8 Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.

Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris; Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster).

In het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc) zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.

De laatste dier burgten is de Fåstaburgt op Ameland geweest, templum Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.

  • Bl.15 all. Ontmoeten wij ... - toev. “Middelburg, of (Domburg)”
  • Bl.16 all. De andere ... - toev.: “bij de Etruriers Nethunus” en “omstreeks 2000 jaren v. Chr.”
  • Bl.16 all. Bij deze ... - wijz.:

    kunt gij uw lachen (niet bedwingen) ... gij→ kan misschien iemand zijn lachen ... hij

  • Bl.17 voor all. De tijd ... - verw. hele allinea:

Het zonderlingste van de hier voorkomende verschijnselen op dit gebied is dit: Wat wij Duitschland noemen, draagt hier den naam Twiskland, tusschenland, omdat het tusschen Fryasland en Findasland in ligt, en door zijne ontoegankelijke wouden, vol met wild gedierte, Fryas kinderen ten voormuur strekt tegen de overvallen der Slavona folkar. De Germanen hebben om den oorsprong van den naam Duitschland te verklaren een God Tuisko aangenomen, van wien de mythologie verder niets weet te berichten, noch wat hij doet, noch wie hij is, noch waar hij vandaan komt. In Adelas boek is wel het land, maar niet de God bekend. Die Tuisko is dus niets anders dan het voorzetsel twisk, tusschen, en geeft het merkwaardige voorbeeld van de apotheose eener praepositie.

  • Bl.18 voor witregel - toev.:
Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.

  • Bl.19 all. Als slotsom ... - toev.: (!)
In lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien de O.F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. 

  • Bl.19 all. Bl.157 ... - wijz. “jonge lieden” → “verstandige lieden"
  • Bl.20 all. De bede ... - wijz.:

De bede van de vorige bladzijde was eene uitnoodiging tot de bruiloft van Adel met Ifkja, en op de volgende bladzijde zijn zij reeds eene poos getrouwd.→ Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst is voorgevallen.

13 June 2025

Eerherstel Ottema 3 — het sterfbed van Dr. O.

Vervolg op deel 2 — de woekerende waan

Lees ook: Eerherstel Ottema 1 — Nico Luitse 1994

... namens de bij het sterfbed van Dr. O. aanwezigen

In het vorige deel zagen we hoe de door Goffe Jensma als feit voorgestelde roddels over Jan Ottema’s vermeende inkeer en zelfdoding een eigen leven zijn gaan leiden. Voor Oera Linda-bestrijders leek deze impertinentie het ideale wapen, maar dit geestelijk geweld zal op hun eigen hoofden wederkomen.

We zagen ook dat reeds in 1990 Nico Luitse wist dat Ottema aan longontsteking was overleden. Maar nu blijkt dat er ook een getuigenverklaring is van Ottema’s volharden in zijn overtuigingen tot op zijn sterfbed, kort voor het begin van de lente van 1879.

Hieronder staat het relevante deel van een (nog) niet-gepubliceerd betoog, geschreven tussen 1939 en 1949, wellicht door Eeltje Molenaar (onderzoek hiernaar volgt). Het ter zake dienende fragment is in vette letters weergegeven. Wie de genoemde heer Menalda was is nog niet duidelijk. Mogelijk Albert Menalda (1802-1881) of Hendrik Menalda (1830-1917, wijnhandelaar).

[Omwille van de leesbaarheid is één lange alinea verdeeld in kortere.]

= = =

Een vertaling van het Oera Linda Boek werd het eerst verricht door Dr. J.G. Ottema te Leeuwarden en verscheen in 1872 te Leeuwarden. Hij voorzag de uitgave van een voorrede, waarin hij den reeds opgestoken storm tegen het werk, die o.a. ook poogde de uitgave te verhinderen, trachtte te bezweren. Dit laatste gelukte hem ten deele, althans in 1876 mocht het werk een tweede uitgave beleven, waarin de voorrede van Dr. Ottema werd uitgebreid en voorzien van de in zijn tijd nieuwste gegevens. Kenmerkend is een zinsnede uit dezen tweeden druk, die luidt als volgt:

“Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en verbittering op te wekken? Is het zoo’n bespottelijk prulschrift, zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men niet doet.” enz. enz.

In deze bespreking zal van de door Ottema genoemde werken van zijn hand het een en ander verwerkt worden. Maar wat Ottema hierboven verzucht, is ongeveer zoo gebleven en het is erbarmelijk, dat deze soort kritiek het zoover heeft gebracht, dat men allerwege nóg steeds hoort: “O, dát boek, maar dat is immers een vervalsching.” Nog steeds leest men niet. Men vraagt zich af, waaraan dat kan liggen. In §1 was er reeds gelegenheid hierover het een en ander te zeggen, maar hier zij erbij gevoegd, dat het toch niet aan de persoon van Dr. Ottema kan hebben gelegen. Om verschillende redenen niet.

In de eerste plaats was het van hem als goed Christen niet te verwachten, dat hij er bijzonder behagen in zou scheppen, om een zoogenaamd ‘heidensch’ werk uit te geven en er zooveel mogelijk de aandacht op te vestigen. Weliswaar, deed men zelf braaf aan de klassieken en die waren, nu ja, — niet zoo erg christelijk — maar dat was dan toch van een soort, die door de vele jaren danig gesanctionneerd was en dus geoorloofd, daarenboven hadden de klassieken het groote voordeel, dat ze niet ‘Germaansch’ waren en dus beter aansloten bij onze zorgvuldig ‘ontfryaschte’ opvoeding door de jaren. Maar een zoogezegd Germaansch oerwerk ter tafel brengen dat was “des Guten zuviel”, eerder nog “des Schlechten zuviel”.

Tenslotte meende men tóch nog wel iets t.o.v. Dr. O. te hebben gevonden, hij zou n.l. op zijn sterfbed de echtheid van het OLB herroepen hebben — de booswicht! Maar ziet, ook aan deze hoop der deerniswaardigheid werd bij monde van den hr. Menalda krachtig den kop ingedrukt, doordat deze heer namens de bij het sterfbed van Dr. O. aanwezigen kon verklaren, dat het tegendeel het geval was, dat n.l. Dr. O. uitdrukkelijk had verklaard, dat het écht was. Het OLB wás echt, zeide hij. Het ging dus níet over dien boeg.

Kon het geweest zijn de tegenzin, die de Fries heeft tegen de mogelijkheid, dat, gebleken de echtheid van het OLB geheel Nederland zich met de Friezen zou gaan bemoeien en dat zulks hun veel last zou veroorzaken?? Die factor kán meegewerkt hebben en hij is dan nog de minst laakbare van de rest, maar voldoende verklaring is het nog niet. Verder kon men van een volbloed Fries (Midfries), die Dr. Ottema was, moeilijk aannemen, dat hij iets zou ondernemen, waarmede de Friezen leelijk achterop zouden komen en de ‘laughing stock’ zouden worden van overig Nederland. Ook dat was niet aan te nemen.

Dr. Ottema was dus volkomen te goeder trouw, maar hij was er ‘ingeloopen’, vond men er toen met groote virtuositeit op, want ‘schuldig of niet schuldig’ het kostbaarste erfstuk in de Nederlanden moest en zou hangen (of anders zo gauw mogelijk wegstoppen, schenden of vernietigen). Zoo ongeveer in den stijl van de cowboypolitie in de V.S.A. in de pioniersperiode, die vond, dat men misdadigers, of wat daarvoor doorging, had te behandelen volgens het recept: “Hang him first, we’ll judge him later.” Wat we zullen hebben te vertalen met “Eerst ophangen, het verhoor komt later.”

het ter zake dienende gedeelte op microfilm bij Tresoar
thàt to séke thjanande dél vp smalfilt by trésôr

27 May 2025

Eerherstel Ottema 2 — de woekerende waan

Vervolg op Eerherstel Ottema 1 — Nico Luitse 1994

Lees ook: Eerherstel Ottema 3 — het sterfbed van Dr. O. 

Feitenlijst

Op donderdag 20 maart 1879 deden gemeentebodes Casper Habekottee (1826-1907) en Sikke Jansen (1836-1923) bij de gemeente Leeuwarden aangifte van het overlijden van Jan G. Ottema (geb. 1804), één dag eerder om 7:30 in de ochtend. Opgegeven doodsoorzaak: longontsteking. [afb. 1]

afb.1) 1879 - longontsteking (gehele akte zie onder)

= = =

In zijn proefschrift De Gemaskerde God (dec. 2004) schreef Goffe Jensma (geb. 1956) dat hem door Adriaan Lysen (1921-2012) en Pieter Gerbenzon (1920-2009) het volgende zou zijn medegedeeld: “Volgens sommigen heeft Ottema uiteindelijk toch ingezien, dat hij had gedwaald en dat hij zijn eer als classicus had verspeeld. Met die waarheid heeft hij niet verder willen leven. Hij hing zich op.” [afb. 2]


afb. 2) 2004 - Volgens sommigen...
afb. 3) 2006 - ... en verhing hij zich.

In de inleiding van zijn vertaling Het Oera Linda-boek (2006) stelt hij dit gerucht voor als feit: “Toen Ottema, door iedereen in de steek gelaten, in 1879 uiteindelijk inzag dat hij ongelijk had gehad en dat hij voor oud had versleten wat eigentijds was, besloot hij dat het geen zin had om nog verder te leven en verhing hij zich.” [afb. 3]

= = =

In een artikel in Eos Magazine (sept. 2011) door Chris Reinewald, getiteld Bedrog, bijgeloof en zelfmoord in Friesland, gebaseerd op informatie van Jensma: “[Ottema] voelde dat zijn levensmissie belachelijk was gemaakt. In 1879 verhangt hij zich.” [afb. 4]

afb. 4) 2011 - In 1879 ... verhangt hij zich
afb. 5) 2019 - Hij maakte een eind aan zijn leven.

In een artikel waarmee reclame gemaakt wordt voor een op Jensma’s doctrine gebaseerd openlucht-theaterspel over Oera Linda in de Leeuwarder Courant (21-6-2019), getiteld Tante Aafje en de geleerde dokters, schrijft Asing Walthuis: “In artikelen en brochures trok hij tegen de rest van de wereld van leer en hij vermoedde samenzweringen van andersdenkenden. Niemand nam hem nog serieus. Hij maakte een eind aan zijn leven.” [afb. 5]

afb.6) 2022 - In 1879 ... verhing hij zich

In De geheime portretten van Mondriaan (2022) schrijft Nick Draaijer: “De discussie (...) dreef Ottema tot waanzin. (...) In 1879, toen hij eindelijk inzag dat het allemaal een verzinsel was, verhing hij zich.” [afb. 6]

= = =

In Het grote verdriet van François HaverSchmidt in Hollands Maanblad (jan. 2024) schrijft René van Slooten: “Toen in de jaren na 1871 geleidelijk duidelijk werd dat het OLB inderdaad een mystificatie was, heeft dat de reputatie van Ottema kapotgemaakt, iets wat hij zich uiteraard zeer aantrok en wat hem ten slotte deed besluiten om in 1879 een einde aan zijn leven te maken.” [afb. 7]

afb.7) 2024 - wat hem ... deed besluiten om ... een einde aan zijn leven te maken
afb. 8) - 2024 Ottema zou zichzelf ... van het leven hebben beroofd

In de Leeuwarder Courant (28-1-2024) van dezelfde maand schrijft Thomas Hoekzema in een artikel met de lange titel Waarom François HaverSchmidt uit Leeuwarden, alias Piet Paaltjens, spijt had van een uit de hand gelopen grap met vreselijke gevolgen: “Zijn geliefde leraar Jan Gerhardus Ottema zou zichzelf enkele maanden eerder namelijk van het leven hebben beroofd als gevolg van het Oera Linda Boek.” [afb. 8]

HCL arch. 1002 inv. 3878

Reeds in 1990 was bekend dat Ottema overleed aan longontsteking, zoals door Luitse vermeld in zijn Dossier Oera Linda Boek.

Nergens in Ottema's brieven is enige twijfel te bespeuren aan zijn overtuiging van de echtheid en waarde van het handschrift.

Nico Luitse in Dossier Oera Linda Boek 1990 - “aan longontsteking overleden”

Jensma’s leugen over Ottema ontmaskerd
(deel van NL-talig vraaggesprek, 20-9-’24)

26 May 2025

Verklaring Hugo Suringar (mbt papier OL) 1874

Verklaring van Hugo Suringar
Over het papier van thet Oera Linda bok
Mei 1874.
[afschrift Nico Luitse]

[1] Op een der Winteravondvergaderingen 1873/4 van het Fr. Genootschap zijn eenige bladzijden ter bezigtiging gesteld van het Handschrift genaamd Thet Oera Linda bok, terwijl de Heer Dr. J.G. Ottema de beleefdheid heeft gehad ook daarna het een en andermaal ten zijnent te laten zien.

Het is moeyelijk, aan te wijzen, welk verschil er bestaat tusschen het H.S. papier en de soort die tegenwoordig, in velerlei fabrikaat, onder den naam velin-vergé (schrijfdraad) in den handel bekend is.

Het formaat van het H.S. is gelijk aan gewoon folio schrijf, minus een paar vingerbreed in de hoogte, zoodat het H.S. niet ongelijk is aan vrij groot kwarto formaat.

De stof van het H.S. papier is,volgens de onderzoekingen van Dr. Ottema: katoen.

Het H.S. papier is bij doorzigt zeer helder, niettegenstaande de oppervlakte ter weerszijde vrij donker is getint.

Langs de stegen in het papier (de wijdere waterlijnen) zijn geen schaduwen, zooals gewoonlijk in het papier met waterlijnen, dat honderd jaren geleden en vroeger werd gemaakt.

[2] Het papier dezer eeuw heeft die schaduwen niet meer; dit is het gevolg van een veranderde en verbeterde fabrikatie. - In het H.S. papier liggen de fijnere waterlijnen tamelijk wijd en duidelijker zigtbaar, dan men ze, vooral in zeer oude papiersoorten, gewoonlijk aantreft.

Het H.S. is meer dan uitmuntend geconserveerd, en schijnt, blijkens de gaatjes in den rug der vertoonde catern, bij herhaling, of wel door een onbekwame hand te zijn ingenaaid of ingebonden; de randen der bladen (marges) zijn bijna allen onberispelijk zuiver en ongeschonden. Door den knagenden tand des tijds of van het ongeval heeft het H.S. weinig of niets geleden. Maar toch is het duidelijk zigtbaar, dat de bruine kleur der bladzijden is veroorzaakt door de werking van vocht: het meest op de middelgedeelten der bladen, naar de uithoeken der bladzijden heen.

Waterringen ontbreken evenwel geheel.

[3] Evenmin is vervuren van het papier waar te nemen.

De bruine tint is hier en daar met wolken, doch over het geheel vrij effen.

Het schrift heeft op geene plaats door die bruine tint iets in duidelijkheid geleden.

Inwendig is het papier volkomen wit.

De vraag dringt zich op: Vanwaar deze bruine kleur?

Is zij het gevolg van de wederwaardigheden, waaraan het H.S. is blootgesteld geweest, of van den tijd, of van beide?

Ware het H.S., nà zamenvoegging der bladen, onderworpen geweest aan den invloed van water, weêr en wind, zoodat de oorspronkelijk witte kleur van het papier moest overgaan tot vrij donker bruin:

hoe is het dan mogelijk, 

  1. dat de bladen zoo goed bewaard zijn gebleven?
  2. dat de randen (marges) zoo weinig hebben geleden? [4]
  3. dat het papier op geene plaats inwendig daardoor is aangetast, zoodat dit noch aan doorzigtigheid, noch aan sterkte, noch inwendig aan helderheid der witte kleur iets schijnt te hebben verloren?

-------

Proefnemingen op het H.S., ten einde sommige vragen, die zich voordeden, op te lossen, mogt de Heer Dr. Ottema niet toelaten. Natuurlijk: het H.S. was aan ZE. toevertrouwd met verantwoordelijkheid om het geheel ongeschonden terug te leveren.

Een onderzoek zijnerzijds heeft echter aangetoond, dat het H.S. papier chloor-vrij is.

Aanwezigheid van chloor daarin, zou bewezen hebben dat het H.S. een gewrocht der 19e eeuw is; chloor toch is eerst sedert ongeveer 50 jaren bij de papierfabricage in gebruik. - Afwezigheid van chloor is evenwel geen afdoend bewijs voor den hoogen ouderdom: bij de photografie b.v. wordt wel papier gebruikt met guarantie van den fabrikant, dat het geen chloor bevat.

[5] Een drop jodium-tinctuur op het Handschrift gevallen, zou waarschijnlijk de aan- of afwezigheid van aardappelmeel in de papierlijm kunnen aantoonen.

Het niet ijzerhoudende der inkt van het H.S. is wel aangenomen, doch niet nader bewezen. Bovendien: verschillende hedendaagsche inktsoorten zijn zonder ijzer zamengesteld.

---

Dooch vanwaar de bruine kleur der bladzijden en deze alleen aan de oppervlakte?

Ware zij te wijten aan den tijd, dan zou het papier ook inwendig daardoor zijn aangedaan.

Ware zij veroorzaakt door eene langzaam werkende vochtigheid, die schimmel en vervuring met zich voert, ook dan was de papier-vezel niet onaangetast gebleven.

Ware zij veroorzaakt door overstroming van vocht, zoodat het boek druipnat was geworden, hoe komt dan [6] een bruine tint te voorschijn, zonder dat ergens waterringen in het papier overblijven? - hoe komt het dan, dat de vloeistof niet door de papierstof is heengedrongen?

Dit leidt tot het vermoeden dat het H.S. nà de voltooying steeds droog bewaard is, en dat de bruine tint van het papier misschien wel geheel of voor een goed deel te verwijderen zou zijn door middel van een spons met koud of laauw water. Dit ware gemakkelijk en zonder vrees voor beschadiging van het H.S. op eene der vrij breede randen (marges) te beproeven.

Mogt men de toepassing van water tot het beschreven gedeelte der bladzijde willen uitstrekken, dan zou spoedig blijken of het H.S. zonder schade voor de letter, nat heeft kunnen zijn. Vele schrijfinktsoorten toch zijn tegen zulk eene proef niet bestand.

Is de bruine tint ook onder het schrift aanwezig?

Dit is misschien te ontdekken door het voorzigtig wegnemen van een of [7] meer der kleine iktvlekken die over het H.S. verspreyd zzijn. Is die bruine kleur wel onder het schrift aanwezig, dan is het papier niet beschreven dan nadat het die bruine kleur reeds had ontvangen. Het vermoeden, dat dit het geval kan zijn, werd opgewekt, door dat sommige bladzijden schijnen beschreven te zijn terwijl het papier eenigzins vochtig was (zigtbaar aan het een weinig uitvloeyen van de inkt op die bladzijden, hetwelk de randen der letters iets minder scherp dan elders doet zijn.)

De ??? die nog over het H.S. ligt, geeft eveneens tot het vermoeden aanleiding, dat het papier noch voor noch na de beschrijving herhaaldelijk druipnat is geweest.

Eerder zou men gelooven aan eene bevochtiging met een bruin gekleurde vloeistof, door middel eener spons of kwast - eene prent als die door de laatste wordt veroorzaakt is op [8] sommige plaatsen waar te nemen - nadat het papier tot bladzijden was gevouwen: de vier hoeken van het blad hebben bijna overal het minst van die kleur aangenomen, terwijl de opstaande rug der vorm een hindernis was, die aan de ommezijde van het papier minder merkbaar is.

---

Het velin vergé papier is machinaal- of stoom-papier. Omstreeks het jaar 1840 is het voor het eerst in den handel gebragt, als eene nabootsing van het geschept of handpapier. Het werd en wordt nog meestal geleverd zonder ander watermerk dan de overlangsche en dwarse waterlijnen. Eerst later werd het met fabriekmerken voorzien. Sedert 1850 ongeveer is het vergé papier meer in zwang gekomen, maar in de eerste jaren bleef het hoofdzakelijk tot de zeer fijne soorten bepaald; als nouveauté werd het zeer op prijs gehouden. In de latere jaren [9] werd het zeer algemeen, zóó dat men thans de fijnere machinale papieren naar willekeur kan laten vervaardigen àl dan niet gevergeerd. Het fabrikaat is ook sedert lang geen geheim meer. Men plaatst eene rol van gevlochten koperdraad op de machine, en laat de nog natte pap de prent van het vlechtwerk in zich opnemen. Maar in 1850 of daaromtrent kon het nog als eene bijzonderheid gelden, papier te bezitten zonder ander merk dan waterlijnen, en men kon toen moeyelijk zich voorstellen welke vlugt de vervaardiging van zulk papier binnen weinig jaren zoude nemen.

Het schrift van het H.S. is op de vertoonde bladzijden niet geteekend met een penseel, ook niet geschreven met een ganzeschacht (dit laatste is trouwens niet beweerd), doch met een werktuig dat ongeveer of volkomen dezelfde werking op papier uitoefent als de stalen pen. Dit is zigtbaar aan de randen der letters, die in het papier zijn gegrift, niet op het papier liggen.

Mei 1874, Hugo Suringar.

Vrijmetselarij en Oera-Linda-Boek 1923 — vertaling Luitse

Vrijmetselarij en Oera-Linda-Boek

door Dr. G.A. Wumkes, Sneek – 1923
Oorspronkelijke titel:
Frijmitselderij en Oera-Linda-Boek
vertaald [uit het Fries] door N. Luitse, Den Haag – 1989

Het is vreemd, dat men het maçonnieke van Over de Linden's ideeën nog niet heeft opgemerkt. - Mr. C. Vosmaer

De geleerde, die in de 19e eeuw met alle macht gestreden heeft voor de germanisering van het Christendom, was de oriëntalist Paul Anton de Lagarde (†1891), hoogleraar te Göttingen. Alleen het zelfstandige had voor hem recht van bestaan. Hij werd niet moe, het hooglied te zingen van de onmeetbare waarde van de individuele mensenziel en van het volkseigene in de tegenwoordige tijd. Gelijk geen blad aan een boom op het andere lijkt, zo zijn ook de mensen van elkander verschillend. Elk mens, elk volk is een Godsdienst en God denkt dezelfde gedachte nooit tweemaal. Zoals in elke dauwdruppel de zon zich weerspiegelt, zo in ieder ik God. De natuurlijke eigenschappen van een volk moeten daarom in de godsdienst verenigd worden. Onder Friezendom moet men niet verstaan de burgerij, niet de ambtenarij, niet de leraren van de H.B.S., maar de boer op zijn land en de smid bij zijn aambeeld.

Aldus leerde de Lagarde.

Aan dezelfde draad spon Houston Stewart Chamberlain in zijn Grundlagen des 19en Jahrhunderts, München 1899, die in zijn geschiedbeschouwing het ras-denkbeeld met de religie verbond. De erfenis van de antieke wereld bestond voor hem uit Helleense kunst en wijsbegeerte, Romeins recht en de verschijning van Christus. De erfgenamen, die elkaar geestelijk bestreden, vielen weer in drieën uiteen: de volkerenchaos, de Joden en de Germanen (met inbegrip van Kelten en Slaven). Door de volkerenchaos, die ontstond in de wereld van de Romeinse keizers, werd het Christendom overgeleverd in de bedorven vorm, waarvan de R. Katholieke (Kerk) de draagster is. Voor de kennis van de ware religie moet men teruggaan naar Jezus. Die was geen Jood, maar een Ario-Germaan. De Joden zijn een heel zuiver, en daardoor heel sterk ras, maar uitermate ongodsdienstig. Zij hebben geen beeld, en beeld is symbool. Voor hen ligt het zwaartepunt in het historische feit. In het Oude Testament is de zuivere heilsleer van het Ario-Germanendom helemaal verknoeid. Daar komt nog het Roomse bijgeloof van de volkerenchaos bij en het machtsstreven van het Pausdom, waarvan het Jezuitisme de draagster is - en deze machten doden het individuele, het persoonlijke, het nationale.

Het uitvloeisel van deze beschouwing van Chamberlain is: Antisemitisme, Antihellenisme en Antiromanisme.

Zijn Pangermanisme kreeg een hoogtepunt in het smaadschrift Die grosse Täuschung van Dr. Friedrich Delitsch, Stuttgart, 1920. Het kind van de rekening is hier weer de Jood met zijn Heilige Schrift. De God van Abraham, Mozes, Jesaja en de psalmdichters is een samenraapsel van de profetische theologie. De wetten van Babylon staan torenhoog boven de wetten van de Hebreeën. De zieners en schouwers van Israël zijn verraders en oproerkraaiers. Het Joodse staatswezen is het rotste op aarde. Haman, de Grootvizier van Xerxes, had gelijk toen hij zijn monarch de raad gaf de Joden uit te roeien. Het Oude Testament heeft voor de Christen geen godsdienstige waarde. Het Jodendom behoort tot de heidense religies. Men kon veel beter lezen in de Germanenbijbel van Wilhelm Schwaner (4e druk 1918). En wat stond in die nieuwe bijbel? "Het leren van de Tien Geboden moest strafbaar wezen voor de wet; het Joodse volk is een afgrijselijk gevaar voor het mensdom."

Met zulke taal, ingegeven door godsdienst- en rassenhaat, spuugde Delitzsch zijn gal over het volk van de Jordaan uit. En dit vergif sluipt als een koorts door de aderen van het Duitse volk heen. Allerwege hoort men de leus van Heinrich von Treitschke uit zijn vlugschrift Ein Wort über unser Judentum (1880): "De Joden zijn ons ongeluk".

Men kan begrijpen, dat na de terugslag die Duitsland van de wereldoorlog kreeg, de roep om een zuivere Germanen-religie zich nog luider horen liet. Een van de nieuwste uitingen van deze beweging is de overtuiging, dat Friesland de oerkonde van het zuivere Germaanse leven bewaard heeft. In één klap zijn nu de ogen van iedereen gevestigd op het Oera-Linda-Boek. Dit wonderboek zal de religie, die vrij is van "Jehova's haatleer", bevatten, en die in zijn wezen eeuwenlang bestaan zou hebben. Een Germanenbijbel!

Zodoende is dit document op het moment uitermate actueel.

Voor ons is het absoluut niet oud, maar een nieuw ondergeschoven stuk. Mr. Vosmaer noemde de schrijver "een genie, maar een wel een raar". Hoe wij ons de voorgeschiedenis van zijn werk denken, kan blijken uit het navolgende.

In het Jaar onzes Heren 1666 brak er in Londen een brand uit, die een heel stuk van de stad in de as legde. Een nieuwe wereldstad verrees uit het puin en een van de machtigste bouwwerken was de St. Paulus-kerk. De geniale architect Christopher Wren maakte het bestek van de kathedraal, die het hoogste voortbrengsel is van de nieuwere Engelse bouwkunst, en hij had de voldoening dat men in juli 1708 het Kruis plaatste op de machtige koepel. Door de vier grote bouwhutten, die bij dit werk opgericht werden, was de Eerste Engelse Groot Loge geconstitueerd (1717). Volges de algemene opvatting moet men in architect Wren de man zien, die aan deze Vrijmetselaarsbond zijn huidige vorm gaf. Van de steenhouwersgilden, die hun vakgeheimen en kunsttaal hadden, nam hij de oude gebruiken en ceremoniën over. En toen de middeleeuwse bouwkunst in verval raakte en er zelden meer grote bouwwerken tot stand kwamen, raakte het ideële meer op de voorgrond en zo verscheen, als een Phoenix uit zijn as, de hedendaagse Vrijmetselaarsbroederschap op het toneel. De oude wetten werden omgewerkt tot The Constitutions of the Freemasons (1723), die het gronddenkbeeld en de rooilijn van deze gemeenschap vastlegden.

Het was de Groot Loge van Londen, die de eerste loges op het vasteland van Europa stichtte. Geleidelijk vormde zij in verscheidene landen zelfstandige maçonnieke lichamen. De eerste Nederlandse Loges werden opgericht in 1735. De Loge De Friese Trouw te Leeuwarden is van 1782. Alles wat aanspraak maakte op beschaving en een werkzaam aandeel aan het publieke leven had, sloot zich aan. Vorsten als Bonaparte en Keizer Wilhelm I, militairen als Blücher en Garibaldi, staatslieden als Washington, Franklin en Lincoln, wijsgeren als Lessing, Goethe en Schiller, schrijvers als Voltaire, Walter Scott, Auerbach, Van Lennep, Multatuli en Vosmaer, toonkunstenaars als Mozart en Haydn werden lid van de Loge. Het werd een boom, die zijn takken over de hele wereld uitspreidde. Deze wereldboom heeft zijn wereldtaal, n.l. de symboliek, meestal ontleend aan de bouwkunst en het hemelgewelf. Zijn dogma is de humaniteit. Zijn godsdienst is een geloof uitgaand boven alle historische religie: het Deïsme. Voor iedereen is plaats in zijn rijen, niet voor de kerkelijk gelovige. Lessing's Nathan der Weise, Schiller's Markies von Posa in het drama Don Carlos, Herder's Faust in zijn Briefe zur Beförderung der Humanität, passen niet in kerken. En de vrijmetselaar belooft deze denkbeelden voor te staan. De tekens en symbolen houdt hij geheim.

Nu heeft dit zogenaamde maçonnieke geheim zijn lichtzijde, maar ook zijn schaduwzijde. Het kan het waas zijn, waarmee de bescheidenheid, de weldadigheid en de waarheid zich bedekt, maar het wordt ook vaak de moeder van fantasterij, mysteriezucht en bedrog. De geschiedenis van de Vrijmetselarij heeft zwarte bladzijden, die in verband staan met een streven naar geheimzinnigheid en grootheidswaan.

De vrijmetselaar François Donny stichtte in 1811 de Bond van de "Philospondes" met een eigen taal Lake Saki en met statuten in geheimschrift. Men verzon een nieuw Johannesevangelie, dat zou zijn uit de 12e eeuw, maar opgesteld werd ± 1760. En wie heeft niet gehoord van het Keulse charter? Prins Frederik, de broer van koning Willem II en Grootmeester-nationaal van de Nederlandse Loges, kreeg in 1816 [m.z. 1818] uit Rotterdam een pakje maçonnieke geschriften met een brief ondertekend N.L. geb. V(an Teylingen). Daar zit een Latijnse oorkonde in, die geschreven was in kwadraatschrift, opgesteld heette in Keulen in 1535 en voorzien was van de handtekeningen van Melanchton en admiraal de Coligny. De prins liet afdrukken van het stuk maken en daar kreeg elke Nederlandse Loge een exemplaar van. De Loge "La bien Aimée" te Amsterdam was er zo opgetogen van, dat zij het 300-jarig bestaan van de oorkonde officieel herdacht met het slaan van een gedenkpenning en een feest (1835). De geschiedschrijver Gieseler heeft evenwel het bewijs geleverd, dat dit charter opgesteld is om en bij 1785 om de oorsprong van de Vrijmetselaarsbond uit de Tempeliers te bestrijden en die uit de Johanniters te bepleiten. Melanchton en de Coligny hadden er part noch deel aan.

Langs zo'n weg is ook een ander belangrijk maçonniek document in de wereld gekomen, n.l. het Oera-Linda-Boek. En omdat het tegelijk een vrucht is van Fries nationalisme, verdient het de aandacht van alle friesgezinde lieden en moet men de schrijver kennen: Cornelis Over de Linden (1811-74).

Zijn bloed was al met al een wonderlijke geestelijke verscheidenheid.... gloeiend prinsgezind. Zijn vader, Jan Over de Linden, van hetzelfde ambacht, bekreunde zich niet om politiek of godsdienst. Zijn moeder, Antje Goetmaat, was extreem calviniste. Van leren kwam niet veel, maar moeder dwong haar zoon alle kerkdiensten bij te wonen en in de Bijbel te lezen, hoewel zijn hart er niet ontvankelijk voor was. Door die dwang en door de ongodsdienstigheid van zijn vader raakte de jongen helemaal op de dwaalweg. Voortaan waren voor hem aan priesterkleren gedachten verbonden van onderdrukking, onrecht en leugen. Van zijn grootvader en vader erfde hij het denkbeeld van oeroude friese kom-af. Zijn vader was in 1831 aan boord van het corvet Nehalennia en de man zwetste lustig, dat hij uit het oudste geslacht van de wereld was, en dan kon hij bij zo'n gelegenheid dat hij zich liet gaan de spot drijven met de adel.

Voor Kees werd als jongeman dit denkbeeld een drijfveer om met alle kracht omhoog te klauteren. Hij leerde bij zijn vader de scheepsbouw. Op zijn 19e jaar maakte hij een reis van drie jaar naar Spanje, de Kaap en China. Waar hij kon, ging hij aan land. Het leven aan boord staalde zijn inborst, maakte hem zelfbewust en gaf hem een hechte ondergrond van mannelijke arbeid. Hij zag de wijde wereld in met grote ogen. Nieuw licht ging hem op over veel zaken. Toen hij zijn tekort aan kennis voelde, trachtte hij zijn dorst aan kennis met alle macht te lessen. Zodoende bracht de man, die in 1833 amper schrijven kon, het van hellingbaas bij de Marine in Den helder tot voorwerker (1838) en van opzichter bij de zaagmolen (1848) tot eerste meesterknecht (1857). Een vernuftiger, bekwamer werker liet zich haast niet denken. De praktijk van de stuurmanskunde kende hij door en door; de geheimen van de scheepsbouwkunde lagen voor hem bloot. Zijn plannen en modellen van schepen waren een lust voor de ogen. Hij schreef een boek met platen over de nieuwe vorm van een schip. Op hem was van toepassing het woord van Sièyes over Bonaparte: "Messieurs, nous avons un maître, le général sait tout, peut tout, fait tout". Zijn sterke geest was Frans, Duits en Engels in minder dan geen tijd meester.

De boekerij, die hij zich aanschafte, bestond uit een vreemd allegaartje. En nu zegt het spreekwoord: zo boeken, zo man. Wat hij las werd een stuk van zijn wezen. Zijn lectuur bestond uit werken over geografie, godsdienstgeschiedenis, wijsbegeerte en vrijmetselarij. Aldus werd dat scherpe verstand voorzien van een buitengewone hoeveelheid kennis. Zijn ziel groeide daaronder als het loof van de bomen in een luwe voorjaarswind.

Zijn geest, prat gaand op het vrije denken, stevende onvervaard het onbekende tegemoet door speculaties en voorstellingen omtrent wereld en mensheid. Hij werd lid van de Loge. Daar leerde hij de symboliek en denkbeelden van de Broederschap. Hij zag het charter van Keulen. Het maçonnieke geheim zette zijn verbeelding in lichte laaie. Hij las Clavel's geschiedenis van de vrijmetselarij, Mercier's boek over het jaar 2440 en Massuet's Eléments de la philosophie (1752). Maar in het bizonder pakte een werk hem, n.l. Les Ruines, ou Méditations sur les révolutions des empires (1791) van graaf Volney, een vrijdenker uit de Revolutietijd, een man, die veel volken en landen bezocht, die een reis maakte door Syrië en Egypte; die het een heel jaar uithield in een Koptisch klooster om Arabisch te leren en in relatie stond met Franklin en Helvetius. Het fantastische boek maakte de autodidact nog losser van alle traditie in leer en wetenschap en bracht hem langzaam dichter bij het rijk Utopia.

Een geestverwant man wakkerde dit vuur nog meer aan. Het was de Saksische boekbinder Ernst Stadermann, die in 1843 als voorstrijder van een koppel vrijheidslievende Saksen zich verzette tegen de regering met woord, geschrift en wapenen. Hij moest de wijk nemen en kwam 'op een schoen en een slof' in Den Helder aandrijven. Meelijdende boeren hielpen hem op gang en spoedig had hij een bestaan. Hij kreeg werk bij de Marine en kon goed met Over de Linden overweg. Zij werden vrienden en waren veel samen. En dan praatten zonder eind. Nu zou dit niet zoveel betekenen, maar de boekbinder had niet weinig pijlen op zijn koker. Hij las de bijbel in de grondtalen en was in Den Helder tolk voor Europese talen. Hij had een grote hekel aan de kerken, de priesters en de grote lieden. En er trilde in 1848 Europa de revolutiekoorts door de leden. Een wervelwind van vrijheid waaide uit de boeken en uit de wereld het vrienden-paar tegemoet.

Over de Linden voelde zich niet thuis in de Loge van de Helderse vrijmetselaars, die maar in het conservatieve bleven hangen. Hun liberalisme was het zijne niet. Ook stonden hem andere dingen tegen, zodat hij de Loge vaarwel zei. Maar de maçonnieke denkbeelden konden niet weggeschoren worden als met het leven zelf. Hij bleef zich de vrije mens met het vrije denken voelen, ontslagen van tyrannie en priesterheerschappij, van alle godsdienstig en wetenschappelijk gezag. Verbeeldt U zulk een man op een plek als Den Helder, afgesloten van wetenschappelijk verkeer, geen vriend van de bourgeoisie, gedreven door een geweldig verlangen om zijn idealen vlees en bloed te geven en men kan nagaan, hoe hij in zijn kamertje bij de houtmolen dagelijks in vrije uren het papier bemachtigde en zijn denkbeelden de vrije teugel gaf. Al schrijvende en studerende, welde uit schemerige diepten in hem de profetendrift omhoog om te getuigen. Stapels schriften schreef hij vol, meestal tractaten in dialoogvorm. En door die dialogen liep altijd weer die rode draad: er bestaat een gemeenschap van vrije bouwlieden, zo oud als de Toren van Babel, van oorsprong Chaldeeuws, en verwant met de Esseërs. Haar doel is de mensen te beschermen tegen schijnheilige priesters en vorsten en het kwaad uit te roeien, dat zijn oorsprong heeft in ignorantie. In die tractaten voerden de broers Cornelis, Loving en John het woord. Broer Cornelis heeft het over de kosmogonie en bestrijdt de theorie van de atomen. Die is hem veel te koud en te doods. De slotsom is een vervloeking van de chemie: de eeuwige analyse. De broers hadden het ook over de godsdiensten en hun stichters. Confucius en Mohammed, Brahma en Buddha, Zoroaster en Jezus, Jehova en Wralda komen op de tafel. Met al die namen wordt vreemd omgesprongen. Confucius wordt in verband gebracht met confuus, Brahma met Bram, Buddha met boete, Ariërs met Ary, Buddha ook wel met Yes of Kris, in 't latijn Jes-us en Chris-tus. Zo'n etymologie was schering en inslag bij de Loge. In de oorkonde van het Vrijmetselaarsverhoor [Leland MS], een 18e eeuwse mystificatie, komt Peter Gover voor. Wie is dat? Pythagoras. In het allegorisch rituaal van de hogere maçonnieke graden verschijnen allerlei figuren uit het Oude Testament, maar met verdraaide Hebreeuwse namen. Zo heten de moordenaars van Koning Hiram, de bouwmeesters van Salomo's tempel: Jubelo, Jubela, Jubelum (vgl. Genesis 4:20-22).

Onder deze avontuurlijke schrijverij verliet hem nooit zijn Friese stamtrots. Weliswaar was hij in de eerste plaats mens, maar het Friese Germanenbloed hamerde niet minder op zijn ziel. Hij trok alle bereikbare hulpmiddelen aan om de Oudfriese monumenten te begrijpen. De Friese wetten en kronieken, grammatica's en woordenboeken, een Oud-Noorse spraakleer, een IJslands leesboek, een handleiding over runenschrift, het werd allemaal het zijne. Hij had de stille hoop, dat hij met dit wapentuig het spoor van zijn voorouders zou ontdekken. Telkens weer weerklonk in zijn ziel het woord van zijn vader: Wij zijn van oeroud Fries bloed. Die adeldom wilde hij realiseren. Daar kwam nog meer bij, n.l. de Friese Messiasdroom. Friesland, het oude stamland, dat zich eens uitbreidde van het Zwin tot de Eider, werd voor zijn verbeelding de heilstaat van het verleden en de toekomst. Zijn liefde voor Frija's land en volk was eindeloos. Daar was het paradijs geweest en daar zou het begin wezen van de nieuwe aarde. En dat te verkondigen aan de kinderen van dat volk - het werd voor hem een levens-roeping. 

Malcontente maçonnerie, Fries chauvinisme en Fries chiliasme - ziedaar de drie beweegredenen, die Cornelis Over de Linden in de weer brachten om zijn dromen vast te leggen in een document, dat men zou kunnen leggen naast het Oude en Nieuwe testament. Hij zag in de wereld de macht van de Heilige Schrift. Daarom moest er een Friese Vrijmetselaarsbijbel komen. En hij zou de schrijver zijn.

Dit is het geheim van het Oera-Linda-Boek.

Waar een verdwaald genie niet al toe komen kan - een Bijbel te maken.

Want een Bijbel wordt niet gemaakt, maar wordt geboren uit de hoogste leiding en inspiratie van vele geslachten in het verloop van eeuwen.

Een Bijbel wordt geschreven als met bloed en ligt geworteld in de geschiedenis van Gods uitverkorenen. Een Bijbel is als een Godsstad op een wereldberg, die haar stralen over alle volken laat schijnen.

Cornelis Over de Linden, de meesterknecht van Den Helder, wilde profetenwerk doen. Friese kosmogonie, wetten, sagen, mythen, geschiedenis, poezie, profetie - en het Vrijmetselaars-geloof - het moest altegaar verwerkt worden in een gouden oorkonde, waar zijn naam en de namen van zijn geslacht aan verbonden zouden wezen. En die Oera-Linda-Bijbel moest een eigen symbolisch schrift hebben. Daarom koos hij niet het kwadraatschrift van de maçonnieke oorkonden, maar het Juulschrift. Hij vormde namelijk 33 letters uit het zes-spakige Juul- of Zonne-wiel. In een cirkel trok hij drie middellijnen, die elkaar sneden onder hoeken van 60°. Door nu eens de straal en een stuk van een boog of dan weer de middellijn en een of meer bogen met een straal te nemen, tekende hij de letters. En dit moest heimelijk gedaan worden. Zelfs de kinderen mochten het niet weten. Alleen zijn tweede vrouw wist de bedoeling van het Wonderboek.

Door intensieve studie had hij zich de taal van de oude Friese wetten eigen gemaakt en als die hem te arm werd, gebruikte hij Nieuwfriese woorden, maar die gaf hij de zware klanken en uitgangen van de voortijd om ze antiek te maken. Als letterkundige vorm koos hij die van een dagboek, dat zou zijn gehouden van de 6e eeuw tot de 1e eeuw voor onze jaartelling. De eerste 80 bladzijden stelde hij op naam van Adela, de vrouw van Apol Oera Linda, zeekoning en grevetman van Oost-Vlieland en de Linda-oevers. Het vervolg was van haar zoon Adelbrost Oera Linda. Dan volgen de "memoires" van Apollonia, de zuster van Adelbrost. Tenslotte kwamen Frethorik Oera Linda, de asega van Liudwarda en zijn nageslacht aan het woord.

Het handschrift zou volgens het voorwoord in handen geraakt zijn van Liko Oera Linda 803 na Chr., en anno 1235 uit de grote overstroming gered zijn en overgeschreven door Hiddo Oera Linda.

De opdracht van Hiddo is als hierna volgt. Wij brengen het oude Fries in dat van de moderne tijd over. (Vgl. Ottema p. 3)

Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten de geschiedenis van ons gehele volk, en ook van onze voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit de vloed gered tegelijk met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze op buitenlands papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer verloren gaan.

De opdracht van Liko is:

Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de ogen van een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete woorden, maar zij tornen ongemerkt aan alles wat ons Friezen aanbelangt. Om rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze weten dat wij hun grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest; wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij ons altegader verdelgen.

Hier volgt de Friese kosmogonie, zoals die gegeven wordt door Adela Oera Linda, de stamvrouwe, die gekozen werd tot volksmoeder: (vgl. Ottema 13 e.v.) 

Frya riep vanaf haar waak-ster, zodat iedereen het horen kon: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen op, die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzo als haar geboden was. Zo zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen. Dit is onze vroegste geschiedenis. Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte de aanvang, alsdan kwam de tijd, de tijd wrocht alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde alle grassen, kruiden en bomen, al het liefelijk gedierte en al het boze gedierte. Alles wat goed en lieflijk is, bracht zij bij dag voort, en alles wat boos en kwaad is, bracht zij bij nacht voort. Na het 12e Juulfeest bracht zij drie maagden voort: Lyda uit gloeiende stof, Finda uit hete stof en Frya uit warme stof. Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijn adem, opdat de mensen aan hem zouden gebonden wezen. Zodra zij volwassen waren, kregen zij vermaak en genoegen in de dromen van Wralda. Haat trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle mensen gekomen.

Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren fonkelden haar ogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig bij de hare.

Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen horen, en wanneer er vissen in het water waren, ontging dat haar neusgaten niet.

Snelgebouwde Lyda. Een sterke boom kon zij buigen, en wanneer zij liep brak geen bloemstengel onder haar voeten. (...)

Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; haar daden werden door haar driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de sterken, en wanneer zij dat gedaan had, beweende zij het lijk.

Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf zij van hartzeer over de boosheid harer kinderen. (...)

Finda was geel en haar haren gelijk de manen van een paard; een boom kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij wel tien.

Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk zij, haar ogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf. (...) 

Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er niet een van op.

Dubbelhartige Finda. Om een schuin woord werd zij gram, en de ergste daden lieten haar koud. Zag zij een hagedis een spin verslinden, dan werd haar hart als ijs, maar zag zij haar kinderen een Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.

Arme Finda. Zij stierf in de bloeitijd van haar leven, en het is nog duister hoe zij gevallen is.

Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op, luid wenend om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet een traan. (…)

Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blauw harer ogen won het van de regenboog.

Schone Frya. Als stralen der middagzon schitterden haar haarlokken, die zo fijn waren als spinrag.

Bekwame Frya. Ontsloten zich haar lippen, dan zwegen de vogelen en geen bladeren bewogen zich meer.

Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor haar voeten neer, en hield de adder zijn gift terug.

Reine Frya. Haar spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in de boezems der bloemen.

Verstandige Frya. Het eerste wat zij haar kinderen leerde was zelfbeheersing, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. (...)

Toen zij haar kinderen had opgevoed (...) gaf zij hun haar Tex en zei: laat dit uw wegwijzer wezen. (...)

Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde als Wraldas zee. Flylands bodem zonk allengs onder haar voeten neder, de lucht werd zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hun moeder omzagen, was zij al lang opgerezen tot haar waakster.

Toen (...) sprak de donder uit de wolken en de bliksem schreef aan het luchtruim: Waak! (...)

En haar kinderen bouwden een burcht en op zijn wanden schreven zij de Tex (...) en zij noemden het daarom Texland.

Dit voortreffelijke stuk mythische poëzie verheerlijkt de Friezen als kinderen van de edele Frija. Zij doolden de hele wereld door. Zij waren in de Pandshab, in Fenicië, in Hellas, in Italië, in Spanje, in Brittenland en de Noordse rijken en overal is Frija's volk het edele, moedige, sterke en vrije. Hun eremoeder, die op Texel haar burcht had, bewaarde daar Frija's tex en een symbool daarvan is de lamp, het ware licht van Wralda, in de hoede van zeven maagden.

Hier volgt de Friese zondvloedsage. (vgl. Ottema p. 71)

Geheel de zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor rook en damp als zuilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd aldus droef en dof, en in de harten der mensen was blijdschap noch vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij stervende was. De bergen spleten vaneen om vuur en vlam te spuwen; andere zonken in haar schoot neer, en waar zij eerst velden had hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheten, zonk neer, en de woeste golven traden zo verre over bergen en dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele mensen werden in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden daardoor achter elkander weg, en toen de wind uit die hoek kwam, waaiden onze landen vol as. Stromen werden verlegd en bij hun monden kwamen nieuwe eilanden van zand en slik. Drie jaren was de aarde zo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wonden zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen en het Twiskland voor de helft ontbost. Benden Findas volk kwamen de ledige ruimte bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij werden hunne bondgenoten. (...) En de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burcht is.

Belangrijk voor de kennis van de theologie in het Oera-Lindaboek is de Godsbeschouwing. (vgl. Ottema p. 137)

Wralda is het alleroudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is alles in alles, want hij is eeuwig. Wralda is alomtegenwoordig, maar nergens te aanschouwen. Daarom wordt dit wezen Geest genoemd. Wralda legde eeuwige inzettingen in alle schepselen. Maar menselijke slechtheid is niet van hem afkomstig. Boosheid komt door luiheid, zorgeloosheid en domheid.

Met het Juul verandert al wat geschapen is. Maar het goede staat alleen boven alle verandering. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen, en omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en het andere schijn.

Alles wisselt. Hij alleen blijft. Daarom mag de aarde zelf, noch enig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mens zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. Onze geest is een afschijnsel van Wralda's geest. Toen hij kinderen gaf aan de mensenmoeders, legde hij een taal op ieders tong en lippen. Maar de kwade vorsten en oneerlijke priesters hebben andere talen uitgedacht om rampen te bedrijven.

Het Godsrijk komt van Friesland uit door een strijd tussen licht en duister. Het oude land van Frija's kinderen wordt geschilderd als het schoonste van de wereld. Het was een gouden eeuw, altijd zomer, altijd vruchtbaar, die later verloren ging. De jaren werden niet geteld, want elk jaar was gelukkig. Toen volgde de slechte tijd met omkeringen in de natuur en met de verdorven volksstammen uit de nakomelingen van Lyda en Finda. Evenwel bleef Frija's volk het edele. Daar werd de ene Wralda gediend. Deugd, trouw, eenvoudigheid bloeiden. Weelde en erfelijk bezit werden verboden om verbastering te keren; zachte, billijke wetten regeerden, kortom het was de primitieve, ideale toestand van een patriarchaal communisme. Maar bederf kwam van tyrannieke vorsten en smerige priesters. Daarom roepen de schrijvers van deze mythen en saga's telkens weer: Waak! Waak! Waak!

Toekomstmuziek kan men hier ook beluisteren met apocalyptische geluiden: (vgl. Ottema p. 117)

Nog duizend jaar zal de spaak van het Juul naar beneden dalen en al meer neder zijgen in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesters. Daarna zal het morgenrood weer aanvangen te gloren. Dit ziende zullen de valse vorsten en priesters allen tesamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in haar hoede nemen, en met het juul uit de vuile poel rijzen (...) Alle vuile geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesters te roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen al uw kinderen in vrede leven." Zo sprak de eremoeder en zeeg neer. Wraak willen wij daarover niet roepen. Die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya naroepen: Waak! Waak! Waak!

Er is een belangrijke bladzijde, die de sleutel geeft van de schrijver zijn motief. Dat is, waar de betere toekomst geschilderd wordt. (vgl. Ottema p. 191)

Wanneer de vorsten, die de waarheid liefhebben en het recht, af zullen wijken van de priesters, als het bloed zal stromen, maar het volk daar nieuwe kracht uit putten zal, als de stammen van Lyda, Finda en Frija eendrachtig zullen worden, als alle valse priesters weggevaagd worden van de aarde en Wralda's geest alom en allerwege zal aangeroepen worden, wanneer geen andere vorsten gezag zal gegeven worden als die bij algemene stemmen gekozen zijn, en Frija zal juichen en Irtha haar gaven alleen zal schenken aan de werkende mens. Dit zal allemaal zijn aanvang hebben vierduizend jaar nadat Atland verzonken is en duizend jaar later zal er geen priester noch dwang op aarde zijn. Zo zegt Dela, bijgenaamd Hellenia: Waak! En in die strijd tegen overheersing en voor het licht van Frija en Jessos zullen in alle oorden mensen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkaar bewaard en voor de priesters verborgen gehouden hebben. Deze zullen hun fakkels buiten de deur brengen, zodat iedereen de waarheid zien moge; zij zullen wee roepen over de daden van priesters en vorsten.

Ziedaar, ongetwijfeld, de taak, die Cornelis Over de Linden op zich genomen had. Hij heeft een nieuwe Godsdienst, samengesteld uit Frija-Jezus-elementen, aan de mensheid willen brengen. Hij heeft het eindeloze geduldwerk volbracht om de 400 duizend Juulletters een voor een te tekenen.

Toen het manuscript klaar was, rond 1854, moest hij het wereldkundig maken, en dit gebeurde met dit verhaal: "Ik bracht in 1848 een bezoek aan Enkhuizen, bij tante Aafke, opa's zuster. Ik vroeg haar: mag ik de tuin eens zien, waar ik als jongen zo vaak in gespeeld heb. Zij ging voor mij uit en de eerste boom, die mij in het oog viel, was een St. Laurensboom, waar enkele rijpe peren aan hingen.

- "Sinds opa's dood" - zei ik - "heb ik zulke peren niet geproefd, als u er niets op tegen hebt, wilde ik wel een paar van die mooie vruchten plukken."

- "Dat mag wel," zei ze.

Toen ik ze geplukt had, zei ze: "Je had het over opa, maar ik heb nog wat voor jou".

Zij ging en haalde een handschrift.

- "Dit is een familieboek," zei ze; - "het is al honderde jaren in ons geslacht bewaard, de taal is oud-Fries, daarom moet ik je op het gemoed binden: houd het in ere."

- "Maar" - vroeg ik - "waarom heeft opa het niet aan vader gegeven?" - "Die vraag heb ik ook al aan opa gesteld" - antwoordde zij - "maar opa zei: "Kees moet het hebben, en als ik het nu aan hem geef, kan Jan het nog wegmaken."

Dit verhaal deed al gauw de ronde. Verder wachtte Over de Linden zijn tijd af. Het lag niet in zijn wezen de groene vrucht te willen plukken. Geduldig wachtte hij af tot zon en regen hem zou rijpen. Het verdroot hem niet.

Zo gingen de jaren voorbij.

Nu mocht hij als meesterknecht elk jaar een week op reis gaan. Dus toog hij in de nazomer van 1867 naar Amsterdam, waar hij bekend raakte met de familie Siderius uit Harlingen. Het gepraat kwam op Friesland en dit had deze gevolgen: Over de Linden stak met hen de Zuiderzee over en kwam bij hen logeren. Het handschrift werd ook op het tapijt gebracht.

- "Dat moest je maar eens oversturen" - zei Siderius, - "wij hebben hier in Harderwijk een mijnheer Jansen, bovenmeester, die is een baas in het oud-Fries, die zal het wel gauw vertalen."

Toen hij weer in Den Helder was, kocht hij dun papier, legde het op het handschrift en trok de letters over. Een blad of vier kreeg Siderius, maar hij en Jansen kregen ruzie. Jansen kende Eelco Verwijs, archivaris van Friesland. Deze deed verslag aan de Friese Staten en het Friese Genootschap. Hij kreeg opdracht eens in Den Helder op onderzoek uit te gaan. En zo kwam hij in November 1867 bij Over de Linden. Het heiligdom werd op de tafel gelegd, het verhaal van tante Aafke's geschenk volgde, en opa's woord aan de kleine Kees: "Manneke, je bent tot wat groots geboren, denk aan mijn woorden." Verwijs keek het handschrift in en op de eerstvolgende bijeenkomst van het Fries Genootschap bracht hij een stuk copie op tafel. Johan Winkler zou er rapport over uitbrengen. Die nam twee Friese taalgeleerden, de heren Jacobus van Loon en Gerben Colmjon in de arm en alle drie kwamen tot de slotsom: het Oera Linda-Boek is een ondergeschoven, vals stuk.

Zo werd ook gerapporteerd in de vergadering van het Genootschap. Maar in die bijeenkomst kreeg Dr. J.G. Ottema, conrector van het Leeuwarder gymnasium zin om het handschrift eens op zijn gemak door te neuzen. Hij kreeg toestemming en zijn overtuiging werd: het boek is echt. Hij trad met de eigenaar in correspondentie en deze stuurde hem facsimile's van een paar fragmenten. Later kreeg hij het handschrift zelf onder de ogen en het gaf hem de indruk van hoge ouderdom. Ja, hij was opgetogen, dat nu voortaan de historische herinneringen van Fresland die van Griekenland en Israël te boven gingen in ouderdom. In de Februari-bijeenkomst van 1871 van het Fries Genootschap verklaarde Dr. Ottema: "Wij mogen aannemen, dat wij in het Oera-Linda-Boek, waarvan het eerste stuk opgesteld is in de 6e eeuw voor Chr., het oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europese letterkunde aantreffen."

De 4e Oct. 1872 kwam het Wonderboek van de pers en bracht een verschrikkelijke sensatie teweeg in de geleerde wereld van Europa. Op het stadhuis te Enkhuizen kreeg men uit Den Haag het verzoek om de genealogie van de Over de Lindens op te maken. Een afgezant van de Friese Staten deed moeite om het manuscript in de Friese archiven te krijgen. In Londen verscheen een Engelse vertaling van de hand van William Sandback. Omstreeks 1877 was de familie Over de Linden en haar boek beroemd.

De schrijver mocht evenwel het zoete van die roem niet smaken. Hij was in 1874 gestorven. Maar van heinde en ver reisde men naar Den Helder om het Wonderboek te bekijken.

Duitse vorsten bewijsden het hulde. Engelse lords boden er duizend Pond Sterling voor en de familie liet het met grote bereidwilligheid aan de bezoekers zien. De brochures en opstellen, die het voor en tegen de echtheid bepleitten, stapelden zich op. De zaak kwam ter sprake in de Koninklijke Akademie van Kunsten en Wetenschappen en het voorstel werd gedaan om het Oera-Linda-Boek door een commissie te laten onderzoeken. Maar het werd afgestemd in de overtuiging, dat het boek niets anders was dan "een handige bedriegerij". Allerlei namen van vervalsers werden genoemd, zoals: de Friese geschiedschrijver Gabbema, F. Haverschmidt (Piet Paaltjens), dominee te Den Helder, Eelco Verwijs, Jansen, ja, Dr. Ottema zelf werd beticht van mystificatie. De een deed voor de ander niet onder in deze zaak.

Tenslotte trad J. Beckering Vinckers het strijdperk in met zijn geharnaste brochure Wie heeft het Oera-Linda-Boek geschreven? Kampen, 1977, die met zwaarwichtig materiaal Cornelis Over de Linden als schrijver aanwees. Twee deskundigen, Frederik Muller en Schmidt van Gelder, chef van de papierfabrieken te Wormerveer en Apeldoorn verklaarden, dat het papier van het Oera-Linda-Boek uit de fabriek van Tielen en Schrammen te Maastricht en hoogstens dertig jaar oud was.

Hiermee leek de zaak afgedaan te zijn, maar dat was in de verste verte niet het geval.

Het Oera-Linda-Boek, dat beschouwd werd als een rariteit in de boekenwereld, stond ineens weer op uit het graf in 1916, toen te Leeuwarden in het Fries Genootschap een kistje met papieren geopend werd, nagelaten door Johan Winkler. Hij verklaarde dat ds. Haverschmidt en Eelco Verwijs de opstellers van het O.-L.-Boek waren. Cornelis Over de Linden had enkel hand- en spandiensten verricht. Haverschmidt zou het gefantaseerd hebben om de autoriteit van de Bijbel een knauw te geven, Verwijs om de archivaris Wopke Eekhoff, die hij hij niet kon luchten, erin te laten vliegen. Winkler leverde nochtans geen bewijs. Ook had hij geen oog voor het maçonnieke van het boek. Hij staarde zich blind op kleine, persoonlijke dingen.

Een sterke aantrekkingskracht leek het O.L.Boek te hebben voor vrijgeesten van allerlei kleur. En uit hun midden ging telkens weer een pleidooi op ten gunste van de oeroudheid van het boek. In 1918 verscheen een brochure van S.J. Meijer te Bandoeng: Een en ander in verband met het Oera-Linda-Boek, die de echtheid poogde waar te maken met materiaal uit maçonnieke en theosophische literatuur. De conclusie van zijn vlugschrift is een eresaluut aan Mevrouw Blavatsky, de eremoeder van de theosophen.

En in de laatste tijd prijst het Pan-Germanisme in lezing en cursus de Friese Vrijmetselaarsbijbel aan als het Verbondsboek van het nieuwe, maar tegelijk "oer-Germaanse Christendom".

Het is hier niet de plaats om op die dingen nader in te gaan.

Inderdaad, de Pan-Germanist had nooit een meer welkome oorkonde voor zijn idealen kunnen krijgen als het O.-L.-Boek. Cornelis Over de Linden was een pionier en wegwijzer voor Lagarde, Chamberlain, Delitzsch en andere anti-Semieten.

Maar wij voor ons kunnen niet geloven aan de echtheid van deze nieuwmodische bijbel. Het spreekt boekdelen, wanneer Over de Linden zijn portret ten geschenke geeft aan Dr. Ottema en als hij in waanzinnige stamtrots aan de achterkant zijn stamboom schrijft, te beginnen met zes eeuwen voor Christus. En wanneer ik dan bovendien nog denk aan zijn vrijmetselaarsdenkbeelden, verweven met zijn Fries chiliasme, en ik vergelijk zijn zware hand van schrijven met de vette letters van het document zelf, dan is voor mij het bewijs geleverd, dat hij en geen ander de would-be Friezenbijbel in elkaar gezet heeft. Het wettig bewijs is niet meer te leveren, maar de overtuigende bewijzen liggen hier voor de hand.

Verder zal de tijd leren wat sterker ferment in het toekomstige zal zijn: de canon van het Oude en het Nieuwe Testament of het Oera-Linda-Boek; de openbaringsgodsdienst, die als het fundament heeft de feiten van Moria-Sion, Sinaï, Bethlehem en Golgotha, of de natuurreligie van onze voorvaderen, dooreengemengd met het pantheisme van Spinoza en zijn navolgers.

Wij voor ons zeggen: Als Cornelis Over de Linden zijn pen gedoopt had in de bron van Bethlehem en in het bloed van de ware Messias, en als hij onze Friese taal niet verhaspeld had met die van de oud-Friese wetten, maar zich gehouden had aan de levende taal van ons volk, van Harmen Systra en Waling Dykstra, dan zou hij de Fries-nationale zaak beter gediend hebben als nu. Hij had een Fries epos kunnen schrijven, nu gaf hij ons een boekenrariteit, waar een smet aan kleeft. De kunstige driemaster, die hij timmerde met een sierlijk tuigage, is gestrand. Zij ligt daar als een baken in zee voor de belijders van elke onhistorische godsdienst, die men in elkaar flanst en met de prehistorie tracht te dekken.

Wereldreligie moet openbaring zijn of anders is zij niet. 

= = = =

Zie ook Frisian Antiquities (1875) — English translation