30 August 2018

Genealogy of Hendrikus Kuipers, Ottema's publisher

Ancestors, family and descendants of Hendrikus Kuipers, 
publisher of the first Oera Linda book translation by Dr. Ottema 
(as well as various booklets discussing it)

H. Kuipers
H. Kuipers
B. Scheltinga Oosterbaan
kwartierstaat Henderikus Kuipers
16) Hendrik Kuiper
?-1781?
17) Cornelia van Nispen
1710-1786
18) Christoffel Otto
?-1762
19) Adriana Bouman 20) 21) 22) 23) 24) 25) 26) 27) 28) Eeke Menalda 29) Antie Blixma 30) Jacob Kuiper
?-1779
31) Maria Esges
?-1782
8) Aart Kuipers
1737-1823
9) Elisabeth Otto
1745-1814
10) 11) 12) Hermanus van Schouwenburg
?-1783
13) Margaretha Lingelmans
?-1769
14) Poppe Menalda
1729-1782
15) Foekje Kuiper
1732-1806
4) Christoffel Kuipers
1765-1837
5) Maria R. Petraeus
1756-1817
6) Henderikkus van Schouwenburg
1760-1813
7) Anna Menalda
1756-1831
2) Aart P.H. Kuipers
1799-1876
3) Margaretha van Schouwenburg
1800-1869
1) Henderikus Kuipers
1827-1907

1a) Henderikus Kuipers, z.v. (2-3) Aart Petrus Henricus Kuipers en Margaretha van Schouwenburg, geb. 23-7-1827 Leeuwarden, ovl. 25-6-1907 Haarlem, koopman 1855/ boekhandelaar 1858: uitgever van Dr. J.G. Ottema;
geh. (1) 11-7-1855 Leeuwarden
Aaltje Plantenga, geb. 6-6-1833 Leeuwarden, ovl. 15-10-1861 Leeuwarden (in kraambed), d.v. Tjalling Broers Plantenga (lakenkoper) en Petronella Petrus Waller;
geh. (2) 25-8-1886 Leeuwarden
Baudina Scheltinga Oosterbaan, geb. 13-3-1831 Harlingen, ovl. 26-8-1896 Haarlem, d.v. Allard Scheltinga Oosterbaan en Geertje Poelman.
Kinderen uit (1):
  1. Margaretha Kuipers, geb. 29-4-1856 Leeuwarden ==>> zie II.1)
  2. (Petronella, geb. 4-4-1858 en ovl. 23-7-1858 Leeuwarden)
  3. (Aart Petrus Henricus, geb. 26-4-1859 en ovl. 16-5-1859 Leeuwarden)
  4. (Aart Petrus Henderikus, geb.11-10-1861 en ovl. 19-10-1861 Leeuwarden)

- - - - - - - - - broers

J. Kuiper
A. Hommes
1b) Jacob Kuiper, z.v. (2-3) Aart Petrus Henricus Kuipers en Margaretha van Schouwenburg, geb. 9-4-1830 Leeuwarden, ovl. 7-1-1876 Leeuwarden, koopman;
geh. 25-5-1859 Leeuwarden
Annigje Hommes, geb. 1835 Leeuwarden, ovl. 2-8-1920 Den Haag, d.v. Cornelius Hommes en Hiltje van der Meer

Kinderen:
  1. (Aart Petrus Henricus, geb. 25-12-1860 en ovl. 14-2-1861 Leeuwarden)
  2. Aart Petrus Henricus Kuipers, geb. 2-12-1862 Leeuwarden, ovl. 26-4-1895 Lochem, koopman; geh. 10-8-1889 Lochem Aaltje Alberdina Elizabeth Schoonman, geb. 18-11-1863 Rotterdam, d.v. Rik Schoonman en Gerharda Everdina Gubeil, hertr. Pieter Abraham de Rochefort.
  3. Hiltje Kuipers, geb. 3-10-1864 Leeuwarden, ovl. 1-3-1943 Amersfoort; geh. 6-10-1885 Lochem August Wilhelm Bachmann, geb. 23-1-1860, 1e luitenant, z.v. August Anthonie Elias Herrmann Bachmann en Wilhelmina petronella Mesenig.
  4. Margaretha Kuipers, geb. 16-6-1867 Leeuwarden (geen nadere gegevens bekend)
  5. (Cornelius, geb. 10-9-1870 en ovl. 30-4-1871 Leeuwarden)
  6. Cornelia Kuipers, geb. 13-4-1873 Leeuwarden, ovl. 22-3-1939 Utrecht; geh. Hijlke Eesges Hoekstra, geb. 1867, ovl. 1-12-1937 Utrecht, z.v. Eesge Klazes Hoekstra en Janke Hijlkes Hijlkema.

- - - - - - - - - broers

M. Kuipers
M. Kuipers
M. Kuipers
A. Ens
A. Ens met Christoffel
A. Ens
Anna Ens met Aart, Maria, Petrus en Henderikus
1c) Marius Kuipers, z.v. (2-3) Aart Petrus Henricus Kuipers en Margaretha van Schouwenburg, geb. 6-7-1832 Leeuwarden, ovl. 23-3-1895 Leeuwarden, apotheker te Leeuwarden;
geh. 9-6-1862 Harlingen  
Anna Ens, geb. 2-4-1838 Harlingen, ovl. 20-5-1893 Leeuwarden, d.v. Petrus Ens en Maria van Schouwenburg
Kinderen:
  1. Aart Petrus Henricus Kuipers, geb. 24-6-1863 Leeuwarden, ovl. 25-6-1929 Utrecht
  2. Maria Kuipers, geb. 7-5-1865 Leeuwarden, ovl. 8-4-1889 Leeuwarden
  3. Petrus Kuipers, geb. 23-9-1867 Leeuwarden, ovl. 15-12-1927 Nijmegen, boekhandelaar; geh. 11-12-1895 Meppel (gesch. 15-10-1918 Meppel) Titia Stheeman, geb. 1868 Meppel, d.v. Eisso Post Stheeman en Jentje ten Brink
  4. Henderikus Kuipers, geb. 18-12-1870 Leeuwarden, ovl. 6-8-1895 Utrecht
  5. Margaretha Kuipers, geb. 25-9-1872 Leeuwarden, ovl. 30-10-1942 Lochem; geh. Robertus Marius van den Berg van Saparoea, geb. 19-4-1860 Velp, ovl. 9-9-1933
  6. (Mintje, geb. 2-3-1875 en ovl. 24-12-1875 Leeuwarden)
  7. Christoffel Kuipers, geb. 5-1-1878 Leeuwarden, ovl. 31-12-1943 Utrecht, Won. Wijk bij Duurstede; geh. 6-5-1902 Utrecht Dirkje Catharina Johanna Witteveen, geb. 1876 Leeuwarden, ovl. 10-3-1935 Utrecht, d.v. Cornelis Witteveen en Catharina Johanna Santee
Maria Kuipers
Petrus Kuipers
Titia Stheeman
Henderikus Kuipers
Margaretha Kuipers
Christoffel Kuipers
Christoffel Kuipers
Ch. Kuipers & D.C.J. Witteveen

- - - - - - - - - broer/zus 


M.R. Kuipers
S. van Hulst
1d) Maria Rosa Kuipers, d.v. (2-3) Aart Petrus Henricus Kuipers en Margaretha van Schouwenburg, geb. 22-6-1834 Leeuwarden, ovl. 20-10-1877 Leeuwarden;
geh. 26-1-1859 Leeuwarden  
Simon van Hulst, geb. 17-6-1836 Bolsward, ovl. (lijk gevonden in sloot op:) 26-4-1898 Bloemendaal, houthandelaar (vertr. naar Bloemendaal 1895), z.v. Willem van Hulst en Baudina Menalda

Kinderen:
  1. Willem van Hulst, geb. 27-5-1861 Leeuwarden, ovl. 19-3-1939 Velp, advocaat en procureur; geh. (1) 8-6-1899 Bloemendaal (gesch. 13-8-1913 Rheden) Sophia Estella Jacoba Sarphatij Orobio de Castro, geb. 1876 Amsterdam, ovl. 1-8-1951 Renkum, d.v. Emanuel Sarphatij Orobio de Castro en Jacoba Godefrida van den Berg, hertr. 1914 Paul Leendertz (zwager, zie 4.); geh. (2) 17-4-1923 Assen Margaretha Hermina Petronella Isabella Klijnsma, geb. 1860 's Hertogenbosch, d.v. Foppe Pieters Klijnsma en Margaretha Hermina Meemeling
  2. Margaretha van Hulst, geb. 11-4-1864 Leeuwarden, ovl. 5-2-1945 Geldermalsen; geh. 29-5-1890 Leeuwarden Adriaan Marinus van Wijk, geb. 15-9-1860 Geldermalsen, eerste luitenant, z.v. Gijsbert Dirk van Wijk en Maria Cornelia van Tiffelen
  3. Baudina Helena Maria van Hulst, geb. 13-1-1866 Leeuwarden, ovl. 20-1-1905 Arnhem; geh. 23-7-1891 Leeuwarden Jakob Anton Gaymans, geb. 1866 Onstwedde, tweede luitenant, z.v. Dirk Johan Pieter Nicolaas Gaymans en Alida Jantina van der Borgh
  4. Anna van Hulst, geb. 10-7-1869 Leeuwarden, ovl. 18-5-1911 Velp; geh. 11-1-1898 Bloemendaal Paul Leendertz, geb. 1869 Nijmegen, adjunct-inspecteur van de arbeid, z.v. Willem Leendertz en Elisabethe Caroline Schoenhard, hertr. 1914 Sophia Estella Jacoba Sarphatij Orobio de Castro (schoonzus, zie 1.)

--------------nageslacht Henderikus Kuipers: dochter en kleinkinderen


C.M.I. vd Heuvel Rijnders
II.1) Margaretha Kuipers, d.v. (1a) Henderikus Kuipers en Aaltje Plantenga, geb. 29-4-1856 Leeuwarden (doopsgez.), ovl. 15-10-1927 Haarlem;
geh. 7-6-1883 Leeuwarden  
Carel Marius Isaäk van den Heuvels Rijnders, geb. 17-4-1847 Elst, ovl. 9-10-1928 Haarlem, luitenant/ kapitein 1e reg. infanterie Groningen/ Leeuwarden/ Dordrecht/ Assen/ Gouda, z.v. Johan Baptist van den Heuvel Rijnders en Johanna Hermina van der Muelen
Kinderen:
  1. Henderikus van den Heuvel Rijnders, geb. 23-3-1884 Leeuwarden ==>> zie III.1)
  2. Wilhelmina Johanna Hermina van den Heuvel Rijnders, geb. 23-8-1885 Leeuwarden; geh. 11-6-1908 Haarlem Herman Merens, geb. 1882 Haarlem, fabrikant, z.v. Johannes Merens en Catharina van Cappelle
  3. Alida Baudina van den Heuvel Rijnders, geb. 8-4-1888 Leeuwarden
  4. Elize Willemine Louise van den Heuvel Rijnders, geb. 6-12-1890 Leeuwarden; geh. 26-2-1925 Haarlem Gerhard von Glahn, geb. 1879 Amsterdam, administrateur, z.v. Marienus von Glahn en Johanna Frederika Schutte 
  5. Johan Baptist van den Heuvel Rijnders, geb. 1894 Gouda; geh. 22-9-1926 Rotterdam Alida Maria Dijkstra, geb. 1896 Geertruidenberg, d.v. Meindert Dijkstra en Christina Maria Kerkhoff

------------nageslacht Henderikus Kuipers: kleinzoon en achterkleinzoon


III.1) Henderikus van den Heuvel Rijnders, d.v. (II.1) Margaretha Kuipers en Carel Marius Isaäk van den Heuvels Rijnders, geb. 23-3-1884 Leeuwarden, ovl. 7-12-1949 Haarlem, leraar middelbaar onderwijs;
geh. 8-4-1909 Hillegom  
Johanna Dobben, geb. 1885 Haarlem, ovl. na 1949, d.v. Frederik Karel Albert van Dobben en Henriëtta Alida Otto.
Kind:
  1. Karel van den Heuvel Rijnders, geb. 20-8-1910 Haarlem, ovl. 4-5-1933 Haarlem


====== kwartierstaat Henderikus Kuipers: ouders



2) Aart Petrus Henricus Kuipers, z.v. (4-5) Christoffel Kuipers en Maria Rosa Petreus, ged. 29-1-1799 Leeuwarden (Ned. Herv.), ovl. 21-4-1876 Leeuwarden, apotheker te Leeuwarden;
geh. 28-8-1823 Harlingen
3) Margaretha van Schouwenburg, d.v. (6-7) Henricus van Schouwenburg en Anna Menalda, ged. 9-2-1800 Harlingen (doopsgezind), ovl. 16-3-1869 Leeuwarden.
Kinderen:
  1. (Maria Rosa, geb. 14-8-1824 en ovl. 13-9-1824 Leeuwarden)
  2. Christoffel Kuipers, geb. 28-5-1826 Leeuwarden, ovl. 1-12-1854 Leeuwarden, ongehuwd apotheker
  3. Henderikus Kuipers, geb. 23-7-1827 Leeuwarden ==>> zie 1a)
  4. Jacob Kuiper, geb. 9-4-1830 Leeuwarden ==>> zie 1b) 
  5. Marius Kuipers, geb. 6-7-1832 Leeuwarden ==>> zie 1c) 
  6. Maria Rosa Kuipers, geb. 22-6-1834 Leeuwarden ==>> zie 1d) 
  7. (levenloos geboren kind, 23-10-1836 Leeuwarden)
  8. Anna Kuipers, geb. 28-6-1845 Leeuwarden, ovl. 23-3-1866 Leeuwarden, ongehuwd en zonder beroep

====== kwartierstaat Henderikus Kuipers: grootouders 


4) Christoffel Kuipers, z.v. (8-9) Aart Kuypers en Elisabeth Otto, ged. 27-9-1765 Dordrecht, ovl. 24-12-1837 Leeuwarden, apotheker en Raadslid Leeuwarden, lidm. met att. 11-9-1789 uit Leiden;
geh. (1) (otr.12-4) 1-5-1793 Engelum
5) Maria Rosa Petraeus, d.v. (10-11) ..., geb. 1756 Leeuwarden, ovl. 12-9-1817 Leeuwarden, lidm. belijdenis 9-6-1780;
geh. (2) 4-2-1824 Leeuwarden
Alexandrina Joanna Scrinerius, ged. 19-9-1760 Dongjum, ovl. 14-8-1828 Leeuwarden, d.v. Domicus Joan Scrinerius (predikant) en Hester Josina Swalue.
Kinderen uit (1):
  1. (Aart Petrus, ged. 4-10-1797 Leeuwarden)
  2. Aart Petrus Kuipers, ged. 29-1-1799 Leeuwarden ==>> zie 2)

----------- (vervolg grootouders)


6) Hendrikkus van Schouwenburg, z.v. (12-13) Hermanus van Schouwenburg en Margaretha Lingelmans, geb. 25-6-1760 Nijmegen (Luthers), ovl. 12-5-1813 Harlingen, steenfabrikant te Harlingen, houder bank van lening;
geh. (otr. 29-10) 7-11-1790 Harlingen
7) Anna Menalda, d.v. (14-15) Poppe Eekes Menalda en Foekje Jacobs Kuiper, geb. 19-8-1756 Harlingen (doopsgez.), ovl. 17-3-1831 Harlingen, houdster bank van lening.
Kinderen:
  1. Foekje van Schouwenburg, ged. 15-3-1793 Harlingen, ovl. 25-2-1859 Harlingen; geh. 8-6-1817 Harlingen Simon Schiere, geb. 1791 Harlingen, z.v. Cornelis Schiere en Anna Gerlofs
  2. (Margaretha, geb. 21-12-1794 en ovl. 16-2-1798 Harlingen)
  3. Jacob Kuiper van Schouwenburg, ged. 22-9-1797 Harlingen, ovl. 3-6-1859 Harlingen, steenfabrikant te Harlingen; geh. (1) 6-6-1827 Groningen Emilia Menalda, geb. 8-2-1805 Groningen, ovl. 7-11-1827 Harlingen (geen knd.), d.v. Gillis Menalda (negociant) en Janneke Alberts Hesselink; geh. (2) 28-7-1830 Groningen Alida Hesselink, geb. 10-8-1809 Groningen, ovl. 5-1-1844 Harlingen, d.v. Jan Hesselink en Maria Menalda (div. knd.)
  4. Margaretha van Schouwenburg, ged. 9-2-1800 Harlingen ==>> zie 3)
  5. Hermanus van Schouwenburg, ged. 15-9-1801 Harlingen, ovl. 26-1-1850 Harlingen, zeehandelaar; geh. 26-8-1830 Harlingen Martha Tjallingii, geb. 1812 Harlingen, eigenaar van Fa. Wed. B. Rodenhuis en Zonen, pan- en estrikfabriek, d.v. Sybrand Tjallingii en Rijkje Fontein (div. knd.)
  6. Maria van Schouwenburg, ged. 4-2-1803 Harlingen, ovl. 6-11-1872 Harlingen; geh. 13-11-1834 Petrus Ens, geb. 1807 Leeuwarden, ovl. 3-7-1880 Harlingen, geneesheer te Harlingen, z.v. Sicco Petrus Ens en Minke Rost (div. knd.)
  7. Poppe Menalda van Schouwenburg, ged. 11-1-1806 Harlingen, ovl. 30-5-1880, apotheker te Deventer; geh. 11-6-1835 Deventer Helena Bolte, geb. 26-5-1815 Deventer, ovl. 9-12-1907 Deventer, d.v. Hendrik Jan Bolte en Etje Pol (bierbrouwster)
mogelijk P. Ens
mog. Maria v Schouwenburg

 ====== kwartierstaat Henderikus Kuipers: overgrootouders


8) Aart Kuipers, z.v. (16-17) Hendrik Kuijpers en Cornelia van Nispen, geb. 1737, ovl. 13-1-1823 Dordrecht;
geh.
9) Elisabeth Otto, d.v. (18-19) Christoffel Otto en Adriana Bouman, geb. 16-7-1745 Leiden, ovl. 31-3-1814 Dordrecht.
Kinderen:
C.N. vd Steen
  1. Christoffel Kuipers, ged. 27-9-1765 Dordrecht (tweeling) ==>> zie 4)
  2. (Cornelia, ged. 27-9-1765 Dordrecht, tweeling)
  3. Hendrik Kuipers, ged. 2-3-1768 Dordrecht, ovl. 16-4-1845 Dordrecht; geh. 21-19-1811 Dordrecht Catriena Elizabeth Heije, geb. 1770, ovl. 19-1-1836 Dordrecht, d.v. Jan Hey en Adriana van Oszaane
  4. Cornelia Kuipers, ged. 30-9-1770 Dordrecht, ovl. 23-7-1851 Dordrecht; geh. Johannes Leijendekker, ovl. 3-10-1834 Dordrecht, z.v. Johannes Leijendekker en Cornelia van der Straten
  5. Adriana, ged. 28-8-1774 Dordrecht
  6. Johanna Elisabeth Kuipers, ged. 6-2-1776 Dordrecht, ovl. 21-1-1817 Dordrecht; geh. 17-9-1797 Utrecht Johannes Stubbe, geb. Utrecht, ovl. voor 1817
  7. Margaretha Cornelia, ged. 27-7-1777 Dordrecht
  8. Adrianus, ged. 28-11-1780 Dordrecht
  9. Frederik Karel Kuipers, ged. 18-10-1785 Dordrecht, ovl. 23-8-1857 Dordrecht; geh. 13-1-1817 Dordrecht Cornelia Neeltje van der Steen, geb.1794 Dordrecht, ovl. 20-6-1854 Dordrecht, d.v. Albertus van der Steen en Pieternella Lebent (div knd.)

----------- (vervolg overgrootouders)


10) N.N. Petraeus
11) N.N.
Kind:
  1. Maria Rosa Petraeus, geb. 1756 Leeuwarden ==>> zie 5)

----------- (vervolg overgrootouders)


12) Hermanus van Schouwenburg, begr. 28-5-1783 Nijmegen, mr. Timmerman Nijmegen;
geh. (1) 6-5-1753 Nijmegen
13) Margaretha Lingelmans, j.d. van Hisfeldt, ovl. 31-3-1769 Nijmegen;
geh. (2) 6-5-1770 Nijmegen
Eva Swinems, j.d. van Kleve (2 knd.)
Kinderen uit (1):
  1. Maria Catharina, ged. 14-4-1754 Nijmegen
  2. Henrich, ged. 11-2-1756 Nijmegen
  3. Hermannus, ged. 3-2-1757 Nijmegen
  4. Hendrikkus van Schouwenburg, geb. 25-6-1760 Nijmegen ==>> zie 6)
  5. Poulus, ged. 31-7-1763 Nijmegen 

----------- (vervolg overgrootouders)


14) Poppe Eekes Menalda, z.v. (28-29) Eeke Jans Menalda en Antje Poppes Blixma, geb. 14-4-1729 Harlingen (doopsgez.), ovl. 21-2-1782 Harlingen;
geh. (1)
Grietje Simons Bakker;
geh. (2) 14-12-1760 Harlingen
15) Foekje Jacobs Kuiper, d.v. (30-31) Jacob Simons Kuiper en Marijke Esges, geb. 26-8-1732 Harlingen (doopsgez.), ovl. 26-9-1806 Harlingen
Kinderen uit (2):
  1. Anna Menalda, geb. 19-8-1756 Harlingen ==>> zie 7)
  2. Maria Menalda, geb. 16-2-1772 Harlingen, ovl. 31-10-1828 Harlingen; geh. 5-9-1802 Harlingen Sybrand Lases Spannenburg, geb. 9-2-1778 Harlingen, ovl. 22-8-1834 Harlingen, z.v. Laas Tjebbes Spannenburg en Geertje Sybrands Osinga

====== kwartierstaat Henderikus Kuipers: bet-overgrootouders  


16) Hendrik Kuijpers, geb. Stiftminne in Brandenburg, ovl. 5-3-1781? Dordrecht;
geh. (1) 14-4-1726 Dordrecht
Margrieta Huijgens, ovl. voor 1730;
geh. (2) 2-9-1736
Cornelis Kuipers
17) Cornelia van Nispen, d.v. Cornelis van Nispen en Cornelia van Velp, ged. 26-12-1710 Dordrecht, ovl. 12-8-1786 Dordrecht.
Kinderen:
  1. Aart Kuipers, ged. 15-11-1737 Dordrecht ==>> zie 8)
  2. Cornelis Kuipers, geb. 23-7-1739 Dordrecht, ovl. 4-12-1802 Dordrecht, kunstschilder, behang- en decoratieschilder; geh. 1-1-1764 Dordrecht Adriana Booij, 1738 Dubbeldam, ovl. 1816 Dordrecht, d.v. Jan Booij (div. knd.)
  3. Cornelia Kuipers, ged. 17-10-1742 Dordrecht


----------- (vervolg bet-overgrootouders)

18) Christoffel Otto, geb. Hessen-Cassel, ovl. 22-11-1762 Rotterdam, van Leiden naar Rotterdam in 1749;
geh. 5-4-1739 Rotterdam
19) Adriana Bouman, geb. Dordrecht, ovl. ...
Kinderen:
  1. Johannes, geb. 31-5-1739 Leiden
  2. Elisabeth Otto, geb. 16-7-1745 Leiden ==>> zie 9)
  3. Johanna, ged. 1-1-1747 Rotterdam

----------- (vervolg bet-overgrootouders)


28) Eeke Jans Menolda/ Menalda, mr. bakker, later koopman te Harlingen, Zuiderhaven;
geh. 5-5-1725 Harlingen
29) Antie Poppes Blixma,
Kinderen:
  1. Poppe Eekes Menalda, geb. 14-4-1729 Harlingen ==>> zie 14)

----------- (vervolg bet-overgrootouders)


30) Jacob Simons Kuiper, z.v. Simon Jacobs Kuiper en Martjen Dirks, geb. Harlingen (doopsgezind), ovl. 1779 Harlingen, burger en wijdschipper;
geh. 6-10-1731 Harlingen
31) Marijke/ Maria Esges, d.v. Esge Lieuwes en Foekje Sijmens Stijl, geb. Harlingen, ovl. 1782 Harlingen
Kinderen:
  1. Foekje Jacobs Kuiper, geb. 26-8-1732 Harlingen ==>> zie 15)
  2. Esge Jacobs Kuiper, geb. 5-6-1737 Harlingen, ovl. 7-9-1803 Leeuwarden, gortmaker Dokkum/ koopman Leeuwarden; geh. 30-3-1760 Harlingen Ytje Taekes Schonegevel, enz.
  3. Martje/ Martha Kuiper, geb. , ovl. voor 1807; geh. 7-5-1769 Harlingen Frans Joosten Zeeman, z.v. Joost Zeeman en Grietje IJsenbeek

28 August 2018

Historical Notes and Clarifications by Ottema 1878

[PDF of scanned version here - the transcription below will later be further improved and translated into English]

GESCHIEDKUNDIGE
AANTEKENINGEN EN OPHELDERINGEN
BIJ THET OERA LINDA BOK;

door Dr. J.G. Ottema

Tweede, vermeerderde uitgave
Te Leeuwarden, bij H. Kuipers, 1878

Snelpersdruk van J.R. Miedema te Leeuwarden

[blz. 1]
AANTEKENINGEN.

 Bl. 2. Brief van Hiddo.
 Nêi Atland svnken is. Uit de door Hiddo opgegeven getallen (3449 — 1256 = 2193) blijkt, dat zijne eerstgenoemde jaartelling aanvangt met het jaar 2193 vóór Christus. Dat zelfde jaar is ook het aanvangspunt eener jaartelling, die tot in onze dagen bewaard en bekend gebleven, in de Almanakken placht aangewezen te worden als het jaar na den Zondvloed; b.v. 1846 is het jaar 4039 na den Zondvloed. Hieruit volgt dat 4039 — 1846 = 2193 als jaar van den Zondvloed overeenstemt met het tijdstip, dat Atland svnken is. Dit komt evenwel niet overeen met de Bijbelsche tijdrekening, die vrij onzeker en onbestemd verschillende uitkomsten oplevert, volgens
 Dionysius Petavius 2329,
 Johannes Marsham 2342,
 Edwardus Simsonius 2344,
 Arthur Bedford 2352,
dat is gemiddeld 150 jaren vroeger dan het verzinken van Atland. De vroegste Christenpredikers hebben dus die tijdrekening hier niet gebragt maar gevonden, en dewijl het verzinken van Atland hen aan den Noachisehen (Zond)vloed herinnerde, aan die Friesche jaartelling den naam van jaren na den Zondvloed gegeven. Opmerkelijk is het daarbij, dat die rekening bij jaren na den Zondvloed buiten Nederland bij geen volk bekend is geweest.

[blz. 2]
 Bl. 2 r. 3. verléden jér, dit doelt op den watervloed van 1254. Zie van Hull, Geschiedenis der Hollandsche Duinen, bl. 87, waar in de XIIIe eeuw 32 watervloeden worden opgeteld; en Gabbema, Verhaal der Watervloeden.

 Blz. 2. Brief van Liko. Vergelijk met deze aanmaning tot zorgvuldige bewaring en geheimhouding het voorbericht van Vlytarp.
 Ocko Scharlensis verhaalt, dat van zijn oudoom Solcko Forteman de levens van de Friesche Koningen beschreven waren onder Radboud den laatsten koning;
 dat Forteman deswege door Radboud in de gevangenis geworpen, kort na zijne vrijlating gestorven is;
 dat zijne geschriften, na zijn dood zeer naauw bewaard, in handen gekomen zijn van Galthye Taykema, die hoorende, dat door de wreedheid des konings Radboud zoovele stukken over de beschrijving van Friesland vernield en verbrand waren, die geschriften gegeven heeft aan zijn zoon
Ocko om nog te behouden dat er overgebleven was."
 Als mede: Histoire de la législation des anciens Germains par Garabed Artin Davoud Oghlou (Arménien) Berlin 1845. Introduction chap. III: Si nous ne possédons malheureusement législatif écrit de ces vieux peuples, datant d'une époque antérieure au contact avec les Romains,
l'absence de pareils monuments ne prouve pas qu'ils n'ayent damais existé. Dans sa rage de détruire tout ce qu'il se plaisait à nommer idole, le Christianisme du moyen-àge ne les aurait-il point livrés aux flammes, en les proclamant diaboliques, écrits en caractères sorciers par des prètres de Baal? Tous ceux qui ont une idée du moyen-àge ne sauraient en douter."

Bl. 2 r. 13 v.o. poppakèningar. Poppe is een nog in N. Holland bekend bijvoegelijk naamwoord, met de beteekenis van vreemd, buitenlandsch, b.v. een poppe paard
[blz. 3]
voor een paard van buitenlandsch ras. Vandaar het bekende woord poep, een vreemdeling, buitenlander, waarvoor de Oost-Friesen even goed de Hollanders uitschelden, als wij de Duitschers. Poppakèningar moest dus eigenlijk vertaald worden poepekoningen.

 Bl. 2 r. 2 v.o. In de tijdbepaling van Liko heeft Hiddo zeker overgeslagen de woorden: Nêi Atland svnken is thaet twya thusond njugon hvndred sex end njugontigoste jêr.

 Bl. 2. r. 2. v.o. achthvndred aend thrju jêr nêi kersten bigrip.
 De Christelijke jaartelling is ingevoerd in het jaar 526, en berekend door den geleerden abt Dionysius (exiguus) onder paus Felix IV. Daarom wordt zij de jaartelling van Dionysius (aera Dionysiaca) genoemd.
 De gewoonte van het jaar aan te duiden door de namen der Consuls had met het jaar 475, door den val van het westersch Romeinsch rijk, hare eigenlijke beteekenis verloren. Doch dewijl men te Rome van die gewoonte niet dadelijk afstand doen kon, bleef men den tijdelijken magistraat als Consuls beschouwen en op die wijze de lijst der Consuls voortzetten, waarop zelfs in het jaar 484 Theodorik de Koning der Gothen voorkomt. Zij werd ook zoo evenwel op den duur onhoudbaar, en als den laatsten Consul vindt men daarop vermeld Basilius V in het jaar 541, na de stichting van Rome 1294, of na de instelling van Consuls 1047.
 De Kerk of de Pausselijke regering is daarom in tijds bedacht geweest om die heidensche tijdrekening door eene Christelijke te vervangen. Die jaartelling van Dionysius is in Engeland nagevolgd door Beda Venerabilis in 720. De uit Engeland herwaarts overgekomen Evangeliepredikers Bonifacius en zijne medgezellen waren dus reeds met die Christelijke jaartelling bekend, en Liko Ovira Linda kon dus hierdoor alleen reeds
[blz. 4]
weten dat die Kersten-leeraren eene nieuwe jaartelling gebruikten. Doch bovendien had Karel de groote ook reeds de tijdrekening van Dionysius in zijn geheele rijk officieel ingevoerd.
 Zij heeft evenwel de oude Friesche tijdrekening niet kunnen verdringen. De Friezen lieten zich deze niet ontnemen en bleven haar, gelijk wij aan het voorbeeld van Liko en Hiddo zien, gebruiken nevens de nieuw ingevoerde, naar welke zij gedwongen werden zich te schikken. En zoo hebben zij gehandeld tot in onze dagen, tot in het midden der tegenwoordige eeuw.
 Als men b.v. een Frieschen Almanak van het jaar 1850 inziet, dan vindt men daar terstond opgegeven:
 Tijdperken.
 Het jaar na de geboorte van Christus 1850.
 Grieksche jaartelling 7358.
 Wereldschepping 5799.
 Jaar der Joden 5611.
 Sedert den Zondvloed 4043.
 Dit laatste jaartal heeft tot aanvangspunt 4043 — 1850 = 2193 voor Christus, d.i. het jaar waarin Atland verzonken is, in overeenstemming met Hiddo's opgave 3449 — 1256 = 2193.

 Bl. 4 r. 20 v.b. Upsalandum d.i. Upland, Upsala in Zweden, an skênlandis áfterkád.

 Bl. 4 r. 20 v.b. Upsaland, Upsala, Upland in Zweden, het land der Finnen en Magiaren, over welke Saxo Grammaticus in het Ie boek spreekt: de gigantibus in Suetia; men moet weten, dat drieërlei soort van toovenaars of Magi ongehoorde wonderen door allerhande toovermiddelen uitvoerden enz.

 Bl. 6 r. 4 v.b. Mith vsa frya baern. Tacitus Germ. 20. Den heer en den slaaf zoudt gij niet aan eenig verschil van opvoeding onderkennen.

[blz. 5]
 Bl. 6 r. 4 v.o. ronddél. Tacitus G. 16. Ieder heeft gaarne eene plek gronds rondom zijn huis."

 Bl. 8 r. 3. v.b. longsyakte. Over de ziekten van het Rundvee handelen: Vegetius, artis veterinariae L.III.45. de passione pulmonis. Columella, de re rustica, IV.14. de pulmonis exulceratione.

 Bl. 10. r. 11. v.b. tha Linda vvrda — Linda hém. Apol is grèvetman over ást flyland en over tha Linda wrda. Ast flyland, Friesland ten oosten van het Flie, heeft bestaan uit Westergoo, Oostergoo en Groningerland (van het Flie tot aan de Eems. De daaraan grenzende Lindaoorden bestonden dus uit hetgene nog in de Middeleeuwen het vierde Zeeland genoemd werd, t.w. de Zevenwouden (Schoterland, Lemsterland en de beide Stellingwerven), Drenthe en het Noorderdeel van Overijssel tot aan de Vecht. Nagenoeg midden door deze landstreek stroomt de Linde, voorheen eene aanzienlijke rivier, die met de Tjonger vereenigd bij Kuinre zich in zee uitstort. Deze Lindaoorden hebben zich eertijds veel verder uitgestrekt tot aan het meer Flevo, het Fliemeer, dus voorbij Urk en Schokland, welke beide eilandjes, bij het ontstaan der Zuiderzee, als het schamel overschot van dat verzonken land zijn overgebleven. Op deze plek hebben wij dus de voormalige burgt Linda-hêm te zoeken binnen den driehoek tusschen Urk, Schokland en Kuinre.
 Konereed schrijft daarvan bl. 194 Linda hém is jeta wêi, tha Linda wrda far en dèl.

 Bl. 12. r. 18. v.b. dráma, drám, blijdschap, gaudium, J.H. Halbertsma, Lexicon Frisicum. Daventria 1872.

 Bl. 22. r. 8. v.b. that hju than mith frêtho ga. Verg. Jus Municipale Frisonum, Ed. Hettema. bl. 32.
 Dat di fader ne aegh sine dochter nennen man to jaen wr her willa.

[blz. 6]
 Bl. 22. r. 7. v.o. send hja uppa wêgar writ thaen send hja éwa. Verg. Fivelgoër en Oldamster Landregt. Ed. Hettema. bl. 2. Keninges setma hat ma screven rjucht, sa hat ma ac ewa.
 en bl. 117. Als dat recht (Setma) screven is, soe heet men 't een ee (ewa).

 Bl. 24. r. 10. v.b. Moder. Tacitus G. 8 van de priesteressen: Men gelooft dat haar eene heiligheid en voorwetenschap eigen is, en versmaadt hare raadgevingen en antwoorden niet."

 Bl. 24. r. 10. v.b. foddik, de lamp. In het Memoriale Linguae Frisicae van Johannes Cadovius Müller (Leer 1875), bl. 44, foddick eine Lampe, ein Krüsel (eene hangende lamp.) Verg. bl. 46. inna tore hangt thiu foddik.

 Bl. 26. r. 4. v.b. thréhvndred. Tacitus G. 7. Het getal is ook bepaald, honderd uit ieder dorp, en zoo noemen zij het ook onder zich (hvndred) en wat eerst slechts een getal was, is nu een naam en eeretitel."

 Bl. 26. r. 5. v.o. §16. rêd gèrt. Tacitus Hist. IV. 61. Velleda. Die maagd (burch fám), uit den stam der Bructeren, had een uitgebreid gezag. Volgens een oud gebruik der Germanen (Gêrtmanna) hielden zij die vrouwen (feminas, fàmma) voor profetessen en bij toenemend bijgeloof eerden zij haar als Godinnen (Matres Deae.")
 Toen vooral was het gezag van Velleda groot, want zij had den voorspoed der Germanen en den ondergang der Legioenen voorspeld."
 en Hist. IV. 65. Er zijn gezanten naar Velleda gezonden, doch het werd hun geweigerd voor Velleda te verschijnen en tot haar te spreken. Zelfs haar te zien werd hun ontzegd, om den eerbied voor haar te vergrooten. Zij zelve was gezeteld in een hoogen toren (burchtore), en een van hare die-
[blz. 7]
naren bracht de vragen en antwoorden over, als een tolk der Godheid."
 Van de fámna bij do Kaeltana folgar bericht Plutarchus de Virt: Mulierum, Vol. II 246.
 Voor dat de Kelten de Alpen waren overgetrokken en dat gedeelte, wat zij nu bewonen, bezet hadden, waren zij door eene onverzoenlijke tweedracht in een burgeroorlog vervallen. Doch de vrouwen (γυναῖϰες feminae, fâmna) tusschen de legers optredende, en de twist onderzocht hebbende, hebben die zoo onpartijdig beslecht, dat zij bij alle staten en stammen eene algemeene genegenheid verwierven. Daarom is bij hun de gewoonte bewaard om de vrouwen bij de beraadslagingen over vrede en oorlog te raadplegen, en door hare bemiddeling de opgerezen geschillen te beslechten. En daarom hebben zij ook in het verdrag, met Hannibal gesloten, geschreven, dat als de Kelten zich hadden te beklagen over de Karthagers, de uitspraak zoude verwezen worden aan de Karthaagsche bevelhebbers en rechters in Spanje, doch zoo de Karthagers beschuldigingen hadden in te brengen tegen de Kelten, aan de Vrouwen der Kelten."
 Het is duidelijk dat Plutarchus hier zaken verhaalt, die hij vernomen had, zonder ze te begrijpen; want hier kan niet van de vrouwen in het algemeen sprake zijn, maar γυναῖϰες staat hier als een ambts- of eeretitel dier rechtsprekende vrouwen.

 Bl. 28. r. 8. v.b. mêtrik. Dit woord komt bij Richthofen niet voor. Hettema vertaalt het door gelijke rijk. Op bl. 186 vinden wij het nogmaals in het geschrift van Déla: Nimman is weldich alle maenniska mètrik to mâkjane aend elike luk to jân. Tha that is alra manniska plicht vmbe tha maenniska alsa mêtrik to maekjane aend sa felo nocht to jân as to bináka is.
 Eene gelijkheid van stand en bezitting is de grondslag van
[blz. 8]
Fryas tex. (Zie bl. 20. art. 5.) Onderscheid van armen en rijken is er niet.
 Allen zijn dus rijk, rik, naar één bepaalden maatstaf méte. Alles wordt gelijkelijk verdeeld, êlika dèla. Indien iemand rijk was boven zijne medeburgers, dan zoude hij vnmétrik wezen, en de algemeene gelijkheid was verbroken.
 Het woord vnmêtrik komt niet voor, doch is wellicht overgebleven in onze uitdrukking onmetelijk rijk.

 Bl. 30. r. 11. v.b. helddrvnk. verg. Justinus XLIII.3. (ao. 600 v.Ch.) De vlootvoogden der Phocaeers waren Simes en Protis. Deze gingen tot den koning der Segobriers, met name Nanno, in wiens land zij eene stad wilden stichten, en verzochten zijne vriendschap. Toevallig was de koning dien dag bezig met toebereidselen voor het huwelijk van zijne dochter Gyptis, die hij volgens landsgebruik aan een gedurende de maaltijd gekozen schoonzoon ten huwelijk zoude geven. Toen nu alle mededingers tot de bruiloft genoodigd waren, wierden ook die Grieksche gasten bij het gastmaal gevraagd. De maagd werd binnengeleid. De vader beval haar den beker te reiken aan hem, dien zij tot echtgenoot uitkoos. Daarop ging zij alle anderen voorbij, wendde zich tot die Grieken en bood den beker aan Protis. En deze van gast schoonzoon geworden, verkreeg van zijn schoonvader eene plaats om eene stad te stichten. Zoo is Massilia (de vervallen Phenicische colonie) herbouwd nabij de mond van de Rhone."

 Bl. 30. r. 8. hêmrik, bij von Richthofen, Alt-Friesisch Wörterbuch, hamrike, hemrike, himrik, gemeine Dorfmark.

 Bl. 30. r. 8. v.o. hêmrik. Tacitus. G.26. De bouwlanden worden naar het aantal der bebouwers door allen gezamenlijk bezeten, en dan onderling verdeeld. De ruimte van land maakt de verdeeling gemakkelijk. Jaarlijks verwisselen zij de akkers en er is nog land overig."
[blz. 9]
 Caesar Bell. Gall. VI.22. Niemand heeft een bepaalde maat van akker of grond in eigendom; maar de overheden wijzen van jaar tot jaar aan elke familie zooveel land toe, als zij goed vinden, en verplichten haar het volgend jaar naar een anderen akker over te gaan."

 Bl. 32. r. 2. v.b. thatillifte, lees thaet illifte, het elfde deel, met dien verstande dat de eigenaar tien deelen behoudt tegen één deel 't welk hij als marktgeld moet afgeven.

 Bl. 32. r. 9. v.o. (mith nôma ald lând that nw vnder-ne sê lèith). Deze woorden zijn een invoegsel van een der latere afschrijvers. Het geboorteland van Finda is Asie, zie bl. 220; se gelavath thet Finda fon ut-et Himmellája berchte bern is."

 Bl. 32. r. 3. v.o. thérut tavlikt. Verg. Jus. Mun. Fris. Ed. Hettema. bl. 20. Een godelic ende ene menschelick rjucht, een haet naturalic, dat oer is taulik.

 Bl. 34. r. 3. v.b. Is hi bikvmen. Tacitus G. 13. Het is de gewoonte dat niemand de wapenen aangordt (in dienst treedt) voor dat de gemeente hem geschikt gekeurd heeft."

 Bl. 34. r. 8. v.b. hêrman jeftha kêning. Tacitus G.12. In die zelfde vergadering worden ook de aanvoerders gekozen."

 Bl. 36. (art. 12.) Sin jongste svn enz. verg. Jancko Douwama, Boek der Partijen, bl. 30. So ist van oldes geweest, des wy, contrarie van alle andere nacien, voer een recht hebben, dat de jongste broeder behold de Heerlyke goederen syns faders."
 Verg. mede als voorbeeld hiervan: Eekhoff, Gesch. Beschr. van Leeuwarden, II. 397, het testament van Wytse van Cammingha in 1533.

[blz. 10]
 Bl. 42. r. 10. v.b. wèdve  bilyva. Tacitus G.19. Het gaat beter in die Staten, waar slechts de maagden huwen en de vrouwen hare wenschen en verwachtingen tot één huwelijk bepalen."

 Bl. 44. r. 14. v.b. ut of landum. Hier is het dus niet meer néi tha tinlana, zoo als het luidt in de straf bepalingen op bl. 60. Die domar zijn dus van oudere dagteekening dan tha skrifta Minneo's. De verbanning naar de tinlanden moet opgehouden zijn, als onuitvoerbaar, sedert Kaelta (zie blz. 94) de Britten tot opstand aangezet, eene burgt, Kaeltas burch, gebouwd en zich daar tot folksmoder opgeworpen had. Door dien opstand was het land anthaet weld thére Moder et Texland onttrokken en had de kolonie zich onafhankelijk gemaakt. Uit de tijd-bepaling op bl. 86, 1630 v.Chr. blijkt, dat het bovenstaande gebeurd moet zijn omstreeks het jaar 1600 of tegen het einde der 17e eeuw voor Chr.
 Op bl. 57, blijkt het dat Minno zich te Athenia bevond tijdens het overlijden van Nyhellénja. Zijne reis naar Kreta en verblijf aldaar, en vervolgens zijne terugkeer naar het vaderland vallen dus voor omstreeks den zelfden tijd, en hij zal zijne geschriften hebben opgesteld te Lindahem na 1600 v. Chr.

 Bl. 44. r. 3. v.o. Wralda jeftha Alfoder. Vollmer, Wörterbuch der Mythologie. ALFADUR. Der höchste Gott des Nordischen Alterthums, und ein Beweis dasz jene Völker, welche Schweden und Norwegen, so wie die eine Hälfte von Deutschland bewohnten, die reinste Gottesverehrung als Basis ihrer Religion erkannt hatten, denn alle edlen Eigenschaften, welche die Mosaische Urkunde dem Unaussprechlichen, welche die Christliche Religion dem einzigen Gott beilegt, finden wir in diesen wieder, ohne irgend einen der Züge welche
[blz. 11]
das hohe Bild Gottes entstellen, wie die menschlichen Leidenschaften, Zorn, Rachsucht, Eifer und Eifersucht. Er ist der Schöpfer, Ordner und Lenker des Weltalls, sein Hauch weht durch alle Zeiten, unerforschlich ist seine Grösze, seine Macht, und Niemand vermag sich ihn zu denken, vorzustellen, denn niemals hat er sich einem Sterblichen gezeigt, — und wenn sein Geist, sein Hauch auf der Erde weilt, so ist es im Schatten geheimniszvoller Haine, stiller, ihm geheiligter Wälder.
 Sein Wille herrscht über Alles, und was nicht Er ist, das ist ihm unterthan, denn Alles ging (Menschen und Götter) aus seinem Schöpferwort hervor. Am besten giebt uns eine Stelle der Edda selbst eine Andeutung über jenes allmächtige Wesen, oder einen Begriff von der Vorstellung, die man sich zu Zeiten des Snorro Sturlason davon machte:
 Vom obersten Gott.
 Gangler machte nun folgende Frage: wer ist der Vornehmste unter allen Göttern? Har antwortete: er heiszt in unserer Sprache Alvater, im alten Asgard hatte er dagegen zwölf Namen: Alvater, Herein oder Heirian (Herr), Nikar oder Hnikar (Sieger), Nikur, Fjolnir (der alles Wissende), Oski,
Orni (der Rauschende), Bifledi (der Schnelle), Vidrir (der Sieger), Swidrir (der Zerstörer), Swidor (der Verbrenner), und July oder Julkr.
 Gangler fragte wieder: Wo ist denn dieser Gott? was vermag er? was hat er Groszes ausgerichtet? Har antwortete: er lebt alle Zeit, beherrscht sein ganzes Reich und waltet über Alles, Groszes sowohl als Kleines. Jafnar erinnerte dasz er Himmel, Erde, Luft und Alles, was in ihnen ist, erschaffen habe. Thridje fügte hinzu: und was das Wichtigste ist, er bildete den Menschen, und gab ihm einen Geist, der leben und nie vergehen soll, wenn auch der Körper in staub zerfallt, oder zu Asche verbrannt wird. Alle Tugendhaften sollen leben und bei ihm seyn in Gimle oder Wingolf, böse Menschen
[blz. 12]
hingegen fahren zur Hel und darnach in Nifleheim oder die neunte Welt."

 Bl. 48. r. 2. v.o. nam this nómo to-nêre nôme an, t.w. Hellenen, van ἕλλην, φνόνιμος wijs, verstandig, bij Suidas.

 BL. 50. r. 10. v.o. vampyra. In het Duitsch is vampyr nog gebruikelijk nevens blutigel, bloedzuiger. Het woord is zuiver Friesch en zamengesteld uit vam (wan) en pyr d.i. worm; de letterlijke beteekenis is dus: een boose pier, een gevaarlijke worm. In het Hollandsch ontmoet men het in de zegswijze: ik wil de kwade pier niet zijn.

 BL. 50. r. 8. v.b. Offerja; van offeren is hier bij Fryas volk geen sprake, even min van priesters, wel bij Findas volk, Krekalanders en Golen. Dit komt overeen met hetgeen Caesar VI, 22 van de Germanen zegt: Zij hebben geene Druiden, om godsdienstige plechtigheden te besturen, en houden zich niet met offeranden op."
 Om deze reden mag men bij Tacitus, als hij in zijn Germania van sacerdotes spreekt, dit woord niet opvatten als priesters, maar alleen als priesteressen, in zoo verre het Latijn hem geen ander woord opleverde om het karakter van de matres en feminae (modera en fámna) aan te duiden, dewijl mater hier geen maem en femina geen wif mag beteekenen. Vergelijk: brêf fon Rika thju ald fám, bl. 228.

 Bl. 56. r. 11. v.b. wilda krêta. Ook in het Grieksch is Κρήτη en Κρῆτες stamverwant met ϰράζω krassen als eene kraai, schreeuwen. Daar mede staat weder in verband de naam ϰορῆτες of ϰουρῆτες, de Cureten, die door hunne wapenkreeten en wapengedruisch het schreijen van het kind Zeus moesten overschreeuwen, op dat Kronos dit niet zoude hooren.

[blz. 13]
 Bl. 56. r. 13. v.b. en havesmvde. Bij Ptolomaeus vindt men aan de Noordkust van Kreta tusschen de kapen Kiamon en Drepanon eene zeestad of havenplaats Minoa geheeten.

 Bl. 60. r. 10. v.o. hwat thene lédar áskt. In deze woorden vinden wij het eerste begrip, de eerste kiem, van het stelsel van compositie of boete voor toegebrachte beleedigingen en verwondingen, dat in de wetten der Longobarden, Visigothen, Franken, Burgundionen, Anglo-Saksen, maar het uitvoerigst van allen in de wetten der Friesen is ontwikkeld (in de Boetregisters.) Het beginsel van zulke boetebepalingen had ten doel het natuurlijke (woeste) recht van wedervergelding, jus talionis, oog om oog en tand om tand, te beteugelen, en de eindelooze veeten en erfelijke bloedwraak uit te roeijen.
 Vindt men dit systeem in de Middeleeuwen het volkomenst uitgewerkt in de Oud Friesche wetten, dan is het duidelijk dat het daarin vervatte rechtsbegrip het eerst bij de Friesen ontstaan moet zijn.
 Dit ontstaan vinden wij in deze Domar aangewezen. De eerste toepassing van het denkbeeld om de wraak af te koopen bepaalt zich hier tot het geval van verwondingen. Het blijft echter nog geheel eene bijzondere zaak tusschen den beleedigde en den beleediger. De beleedigde kan zich zijn recht van vergelding laten afkoopen, maar hij mag daarvoor eischen, wat hij wil. De zaak is geheel eene private transactie.
 Bij Tacitus Germ. 12 ontmoeten wij hierin een grooten vooruitgang: Er wordt een onderscheid gemaakt tusschen de straffen (boeten) volgens den aard van het misdrijf (de zwaarte der verwonding.) Bij lichtere misdrijven is de boete naar evenredigheid, en de beleedigers, wier schuld bewezen is, worden beboet voor een zeker getal paarden, runderen of schapen. Een deel van de boete vervalt aan den Koning of aan den Staat, het ander deel aan den beleedigde of diens nabestaanden."
[blz. 14]
 Hier is het dus niet meer eene private transactie, maar eene publieke, eene zaak het van den Staat. De Staat, de wet, bepaalt de boete en velt het vonnis. De boete wordt betaald aan den Staat en beleedigde ontvangt daarvan voor zich een bepaald gedeelte (de helft?) Voor het jus privatum is het jus publicum in de plaats getreden.
 Bl. 60. r. 4. v.o. mith sin lif biltalja. De compositie betreft dus nog maar alleen verwonding, en is nog niet toegepast op doodslag. Doodslag wordt met den dood gestraft, en de familie van den vermoorde heeft het recht van bloedwraak. Slechts eene vrijwillige ballingschap kan den moordenaar door de vlucht aan het bereik des wrekers onttrekken.
 Bij Tacitus, G.21, ontmoeten wij weer een zeer grooten vooruitgang in dit opzicht, want daar is de compositie ook uitgestrekt tot het geval van doodslag: Ook de doodslag schrijft hij, wordt geboet met een bepaald getal stuks vee en de gezamenlijke familie des verslagene neemt die genoegdoening aan (is verplicht die satisfactie aan te nemen). Dit is, voegt hij er bij, nuttig voor den staat, omdat de veeten volgens de vrijheid, d.i. volgens natuurlijk recht van bloedwraak, voor den staat gevaarlijker zijn."

 Bl. 62. r. 7. v.b. vppet fjvr werpa. Brandstichters worden met den vuurdood gestraft. Daar is dus het jus talionis nog in volle kracht; gelijk bloed om bloed, zoo ook vuur om vuur. Brandstichting is een vergrijp tegen het geheele thorp, en daarom ook Men werpt den brandstichter in het vuur.

 Bl. 62. r. 8. v.o. vrrêde by tha fyand. Landverraad is de zwaarste van alle bedenkelijke misdaden, want het is eene misdaad tegen den geheelen Staat. Zoo ook bij Tacitus, G 12. Verraders en overloopers worden aan een boom op-
[blz. 15]
gehangen, lafhartigen, die zich aan den strijd onttrekken, en bedrijvers van onnatuurlijke zonde worden in een moeras verzonken onder eene horde van teenen. Het verschil van de straf doelt hierop, dat de gestrafte misdaad openlijk ten toongesteld, de straf der wandaad verborgen wordt."

 Bl. 62. r. 6. v.o. mota barna. Vergelijk deze straf bepaling met die op bl. 20 in art. 7.

 Bl. 62. r. 1. v.o. vrwerpa. De naam des landverraders moet uitgeroeid worden evenals zijn geheele geslacht. Aan geen kind mag men ooit dien naam weer geven, en zij die een gelijken naam dragen, moeten dien afwerpen en een anderen naam aannemen, opdat die gevloekte naam binnen Fryas erf nimmer weer gehoord worde.

 Bl. 66. r. 12. v.o. Svnne résháger. F. Lensimand, Die Anfänge der Cultur, B.I.18. Die Flora und Fauna der Schichten, in denen wir die ersten Spuren unseres Geschlechtes antreffen, zeigen dasz die damalige Temperatur eine weit höhere war als die heutige, denn unsere mitten-europäischen Länder erfreuten sich eines tropischen Klimas, und die nordlichsten Striche Asiens und Amerikas, selbst Grönland, wurden noch nicht von Eisschollen heimgesucht. 

 Bl. 66. r. 6 v.o. An tha éne side enz. Geheel Europa begrensd door eene lijn van Königsberg tot Triest behoort tot Fryas erf. Vergelijk met deze grensbepalingen, Dionysius Halicarnassensis L. XIV. Het land der Kelten wordt midden doorgedeeld door de rivier de Rijn. Het gedeelte aan gene zijde van den Rijn, grenzende aan de Skythen en Thraeiers, wordt Germanie genoemd en strekt zich uit tot aan het Hercynisch woud en de Rhipaeische bergen. Het andere gedeelte aan deze zijde van den Rijn naar het zuiden gekeerd tot aan
[blz. 16]
het Pyrenaeisch gebergte, dat den Gallischen zeeboezem omvat, heet Galatie (Gallie).
 Zie over de Kelten als omvattende Galliers en Germanen A. Holzmann, Kelten und Germanen;
 en L. Contzen, die Wanderungen der Kelten.

 Bl. 66. r. 4. v.o. thát bréde twiskland. Caesar B.G.VI.25. De breedte van het Hecynisch woud strekt zich negen dagreizen uit. Het begint bij de grenzen der Helvetiers, Nemeten en Rauraken, loopt langs de rivier de Donau tot aan de Daken en Anarten, wendt zich dan links van de rivier af langs de grenzen van vele landen, en is er niemand in Germanie die kan zeggen, dat hij het einde van dit woud bereikt heeft, al had hij zestig dagreizen afgelegd, noch dat hij vernomen heeft, waar het aanvangt."

 Bl. 68. r. 6. v.b. an thju Réne. Dio Cassius, 53. Sommige der Kelten, die wij Germanen noemen, bezitten het geheele Keltische land langs den Rijn, en hebben het Germanie doen noemen, opwaarts tot aan de bronnen der rivier, en afwaarts tot aan de zee van Brittannie."


 Bl. 68. r. 1. v.b. twelif rinstrama. Deze twaalf rivieren zijn: De Weichsel, Oder, Elbe, Weser, Eems, Rijn, Schelde, Seine, Loire, Garonne, Rhone en Po.

 Bl. 68. r. 15. v.b. priked. Hieruit is het tatoueeren bij de Britten ontstaan, waarvan Caesar B.G.V.14 gewag maakt: Alle Britten tatoueeren zich met weede, die een blaauwe kleur veroorzaakt."
 Evenzoo spreekt Pomp: Mela III 6. van: met weede getatoueerde Britten." Herodianus beschrijft dit nader: Zij beprikken hunne ligchamen met figuren en afbeeldingen van allerlei verschillende dieren." Wat echter deze schrijvers in het algemeen zeggen van de Britten, beperkt Tacitus tot een
[blz. 17]
gedeelte van het volk, Vita Agricolae 9, waar hij vermeld, de getatoueerde gelaten van de Siluren. En juist deze Siluren woonden in Wales en Devonshire, het land der tinmijnen.

 Bl. 70. r. 12 v.b. Aldland, Atland. Over dit verzinken van Atlant heeft Plato een bericht bewaard in zijn Timaeus en Kritias. Een opperpriester te Saïs heeft aan Solon verhaald: Voor den ingang de Middellandsche zee, welken hij de zuilen van Herakles noemt, lag eertijds een land grooter dan Lybie en Asie te zamen. Van daar konden toen de zeevaarders naar de andere eilanden komen, en van deze eilanden op het vastland daartegen over, dat zich rondom die eigenlijke oceaan uitbreidde. Op dit groot Atlantisch eiland bestond een groot wonderbaar koninkrijk, dat over het geheele eiland heerschte en over vele andere eilanden en
deelen van het vastland, bovendien beheerschte het aan onzen kant Lybie tot aan Egypte en Europa tot aan Tyrrhenie. Toen echter in lateren tijd buitengewone aardbevingen en overstromingen losbarstten, veroorzaakte één noodlottige dag en ééne noodlottige nacht, dat het Atlantisch eiland in de diepte der zee verzonk. Daarom is nu die zee ontoegankelijk en moeijelijk te onderzoeken, omdat het diepe slik (de wadden), 't welk het eiland bij het verzinken gevormd heeft, de scheepvaart verhindert."
 Strabo. II.102. Het kan zeer wel waar wezen, wat er verteld wordt van het eiland Atlantis, waarvan Plato zegt, dat Solon, die het had gehoord van Egyptische priesters, bericht heeft, dat het vergaan is, terwijl het eens een eiland was, zoo groot als het vasteland.

 Bl. 72. r. 10. v.b. twam hápa, dat zijn de Hunnen en de Finnen.
 t-éne dèl, de Hunnen zullen zuidwaarts afgetrokken zijn, waar wij ze later vinden als Hongaren of Magiaren.
[blz. 18]
 thát ôre dél, de Finnen, is gevallen in Zweden, d.i. skênlandis ásterdèl. bl. 110.

 Bl. 72 r. 19 v.b. prestera-kárka. Frya's volk had noch priesters noch kerken, en evenmin woorden daarvoor in zijne eigen taal. De Friesen hebben die het eerst leeren kennen bij de Finnen, en dus ook die woorden alleen aan de taal nen der Finnen kunnen ontleenen. De woorden kerk en priester moeten dus Scandinavischen oorsprong. Het Friesche kaerke van chaerke, scherke, is in het Zweedsch kyrke, uitgesproken even als thans ons tzierke, Oostfriesch zierk, Deensch kerke. Prester is Zweedsch praest, Deensch praest mv. praester. Op bl. 222, komt eveneens als meervoud voor prestar, dat wijst op een enkelvoud prest als de oorspronkelijke vorm.

 Bl. 74. r. 8. v.b. Achtantich jêr forther. d.i. 2092 - 80 = 2012 v. Chr.

 Bl. 74. r. 7. v.o. Inka beteekent boter, butyrum. Halbertsma, Lexicon Frisicum.

 Bl. 74. r. 6. v.o. faederja, d.i. oom, patruus. Halbertsma, Lexicon Frisicum.

 Bl. 74. r. 5. v.o. jonga kámpar. Tacitus G. 14 "De meeste aanzienlijke jongelingen begeven zich naar die volken, welke in een of anderen oorlog gewikkeld zijn."

 Bl. 76. r. 3. v.b. thri wiga. Zie ook Saxo Grammaticus. L.V. p. 52 en Notae uberiores p. 68. Ed. Müller. In het gedicht Edda wordt verhaald dat Odin (Wodin) den raad gegeven heeft om de slagorde wigvormig op te stellen. Verg. ook Nota p. 214, 215, de acie triplici Othiniana.

 Bl. 76. r. 3. v.b. an thri wiga. Tacitus G. 7. De slagorde wordt bij wiggen (wigvormig) opgesteld."

[blz. 19]
 Bl. 76. r. 11. v.b. Séfyra, scheepsroepers, zeetrompetten, waarmede ook de winden worden afgebeeld. Het woord is zamengesteld uit sè, de zee, en fyr, een denneboom, omdat deze trompet gemaakt was uit een uitgeholde dennestam, even als nog, in later tijd, de Sint Steffens hoorn, waarvan een exemplaar in het Friesch kabinet van oudheden berust. Deze trompet is ruw bewerkt uit een gespleten stam van een jonge denneboom, en bestaat uit twee in de lengte zacht gekromde uitgeholde stukken, die met tien hoepeltjes aaneen gekuipt zijn. De geheele lengte bedraagt 1.12 meter. De Zweedsche herderinnen gebruiken nog een hoorn van gelijke constructie om in het gebergte haar vee bijeen te roepen.
 De Grieken hebben aan deze trompet den naam van den Westewind, Zephyrus, ontleend.

 Bl. 76. r. 11. v.b. Sèfyra. De Heer G. Verenet heeft mij over dezen hoorn medegedeeld: Les Vachers des Alpes emploient encore un instrument bucolique ou pastoral, en forme de trompe (le taureau d'Uri des guerriers Helvétiques) pour le rappel des troupeaux. Il se compose aussi d' une écorce d'érable arrondie et entourée de cerceaux de bois; sa longueur est d'environ deux mètres; le son du cylindre tient de celui d'un tuyau d'orgue.

 Bl. 80. r. 6. v.b. Kádik, Cadix, Gades, Punisch Gadeir. Festus Avienus, die in zijne Ora maritima fragmenten bewaard heeft van Himilco's zeereis, zegt vs. 267, dat dit Gadeir beteekent locus aggere septus, eene ingedijkte plaats.
 Die beteekenis wordt gecontroleerd door het Hebreeuwsche Gadeer, locus muro cinctus, door een muur omgeven, hier êne sténene kâdik.

 Bl. 80. r. 6. v.b. Kâdik. Stephanus de Urbibus. Γάδειρα,
[blz. 20]
geeft als naamsafleiding οὖσα ώς ταινία ϰαὶ τῆς γῆς δειρά velut fascia et terrae collum.

 Bl. 80. r 12. v.b. fâr tha rika kaening fon Egiplandum. Dit valt in den tijd van Joseph in Egypte ± 2000 v. Chr.

 Bl. 80. r. 10. v.o. Nèf Inka. Vrage: Is Inka ook met zijne vloot in Zuid Amerika aangeland, en zijn nageslacht 35 eeuwen later door Pisarro terug gevonden in de Koningstam der Inka's in Peru?

 Bl. 80. r. 10. v.o. Inka. Bij Hamconius fol. 72. b. wordt bericht van eene kolonie Friesen in Chili, daar aangetroffen door Diego Torres, (de rebus Americae patres collegii pacis ad Provincialem, a°. 1589); alsmede door Alphonsus de Ercilla, (de rebus Americae) (Auruncana). Zij zouden daar (in Chili) aangekomen zijn omstreeks 1030 n.Chr., en hadden eene herinnering aan hunne afkomst van Friesen. Dit doet mij gissen dat Inka kan aangeland zijn aan den N.O. hoek van Brasilie, in den mond der Amazonen-rivier, dat de afstammelingen van zijn volk in den loop van eeuwen al verder landwaarts ingetrokken en eindelijk tot de westkust van Z. Amerika (Chili en Peru) doorgedrongen zijn. Lezen wij nu hier dat de meeste Finnen en Magiaren zich bij Inka voegden, dan komt dit overeen met de opmerking van reizigers, dat de inboorlingen van Chili en Peru in hunnen ligchaamsbouw eene Finsche type dragen.

 Bl. 80. r. 7. v.o. ák árg to gvngen. Hiertoe zal ook wel behoord hebben, dat Sicilie van Rhegium is afgescheurd, Prochyta en Pithecusa van Misenum, Capreae van Athenaeum enz. Strabo L.I.60.

 Bl. 84. r. 10. v.o. Missellja. μασσαλία Stephanus, de Urbibus, verhaalt volgens Timaeus, dat een schipper bij zijne aan-
[blz. 21]
komst aldaar een visscher beval een touw, dat hij hem toewierp, vast te maken, μᾶσαι en dat daarvan de naam Massalia gevormd is uit μᾶσαι binden, en ἁλιευς een visscher.

 Bl. 84. r. 6. v.o. ana trowe wydena. De Druiden, zie bl. 124.

 Bl. 86. r. 4. v.o. Nyhellénja, de raadselachtige Godin Nehalennia, van wie Romeinsche Gedenksteenen bij Domburg op Walcheren in zee gevonden zijn, ten jare 1647. Zie Beschrijving en afbeeldingen bij: H. v. H. en H. v. R. Kerkelijke oudheden, Bisdom van Zeeland. Dl. IV. bl. 67 en Dr. J.F.L. Jansen, Romeinsche Beelden en Gedenksteenen in Zeeland.

 Bl. 88. r. 6. v.o. tha stjurar to hropande. Vergelijk wat Pomponius Mela III. 6 schrijft van de Druidessen bij de Galliers: Het eiland Sena in de Britsche zee tegenover het land der Osismiers (Armorica) is beroemd door een orakel van de Gallische Godin, wier priesteressen, geheiligd door een maagdelijken staat, negen in getal zijn. Men acht haar begaafd met een buitengewoon verstand, gelooft, dat zij zeeën en winden onstuimig kunnen maken, zich kunnen veranderen in dieren, genezen wat bij anderen ongeneeslijk is, de toekomst weten en voorspellen, doch alleen zich bezig houden met die zeevaarders, die gekomen zijn om haar te raadplegen."
 Zie ook: L. Contzen, die Wanderungen der Kelten S. 88, 89.

 Bl. 88. r. 2. v.o. bjar. Tacitus G.23. hunne drank is een vocht bereid uit gerst of tarwe.

 Bl. 90. r. 11. v.b. Skriffilt. Bij Strabo XV. 717, bericht Nearchus de vlootvoogd van Alexander, dat in Indie aan den beneden Indus een volk is, dat niet op palmbladen schrijft, maar brieven schrijft op zeer zwaar ineen gestampt katoen, d.i. schrijffilt van boomwol. Uit de
[blz. 22]
verdere beschrijving van dat volk blijkt, dat hij van de daar gevestigde Friesen (Geertmannen) spreekt.
 Zij bebouwen het gemeenschappelijk land (hemrik) gezamenlijk en verdeelen de oogst.
 Zij zijn gewapend met lange bogen en pijlen, met speeren en schilden en met zeer breede zwaarden van 3 ellen (5 voet) lengte (gêrt), zij hebben wetten, deels algemeene (mêna êwa) deels bijzondere (setma), die veel van de wetten van andere volken verschillen.
 Zij huwen de dochters uit zonder bruidschat. (Tacitus G.18. "De vrouw brengt den man geen bruidschat aan.")
 Zij hebben de gewoonte, om vorsten en grooten alleen met woorden te groeten en nooit met kniebuiging (verg bl. 20. wr.aldas gást mêi mán allèna knibuwgjande thánk to wija.)

 Bl. 90. r. 11. v.b. Skriffilt. Pater Paullino van St. Bartholomeo, zendeling in Indie, heeft in zijne Samscridamirae
(Sanskrit) linguae institutio, bewezen, dat het gebruik van katoenpapier bij de Indiers tot ver boven de tijden van Christus opklimt. Verg. Heeren. Ideën Indiers. bl. 93.

 Bl. 94. r. 13. v.o. til thêre séjene. De naam dezer rivier is Friesch, thju séjene, de zegen, zoo mede le Havre, thi have, le Havre de gráce, thi have thêre séjene: Ouessant, westsónd: Dieppe: diape; Fécamp, fjakamp, veeweide: Caudebec, thju kalde béke, de koude beek; Robec, thju róde bêke, de roode beek enz.

 Bl. 94. r. 10. v.o. Kérenák. Staat dit in verband met Corn-Wales?
 In het Fransche Bretagne is ook een Carnac met groote overblijfselen van Druidische monumenten.

 Bl. 94. r. 8. v.o. Káltana, Zie over de Kelten in Brittannie, L. Contzen, die Wanderungen der Kelten.

[blz. 23]
 Bl. 96. r. 5. v.b. thju Moder. Haar naam was Hel-licht. bl. 106.

 Bl. 96. r. 14. v.b. Tünis to en gode uphêjad. vrg. bl. 82. Tünis êvg as hjara káning bikánna.
 Tünis erkend als koning der stad, Malk-kart, en verheven tot eene godheid is dus de Phenicische Melkarth, dien de Grieken den Tyrischen Herakles noemden, veel ouder dan de Grieksche Herakles. Aan dezen Tyrischen Hercules werden de zuilen van Hercules toegeschreven, de rotsen Abyla en Calpe.
 Pomponius Mela I.5. verhaalt dat Hercules zelf de voor heen verbonden rotsen van een gescheurd en den Oceaan, die vroeger door eene rotsketen was afgesloten, een toegang in de Middellandsche zee verschaft heeft.
 De grond van de Mythe ligt hier in, dat de Friesche zeekoning Tünis aan de Pheniciers de straat heeft leeren kennen, die de Middellandsche zee met den Oceaan verbond, en alzoo dien zeeweg voor hen heeft geopend. Daarvoor hebben ook de Tyriers eene hunner oudste kolonien aan de Noord Afrikaansche kust Tunes (ὁ Τύνης) thans nog Tunis, genoemd.

 Bl. 96. r. 6. v.o. navt rum noch. Nepos. Themistocles C.VI, schrijft ook van de Phalerische haven te Athene, dat die noch goed, noch groot genoeg was.

 Bl. 98. r. 7. v.b. Jonhis élanda. De Jonische zee en de Jonische eilanden ten westen van Griekenland hebben niets gemeen met de Jonische steden en eilanden langs de kust van Klein-Asie. Het verschil wordt bij de Latijnsehe zoo wel als bij de Grieksehe schrijvers streng in acht genomen, die de laatste namen altijd met eene lange (dubbelde) o en de eerste altijd met eens korte (enkelde) o schrijven.

 Bl. 98. r. 10. v.o. Athenia, Minerva, Nyhellênia.
[blz. 24]
 Van deze namen is de eerste gebleven aan de stad Athene en overgedragen tevens op de Godin Pallas. Minerva is als naam der Godin bewaard in Groot Griekenland, Italie tot aan de Alpen (bl. 54). Doch de naam Nyhellènia is als zoodanig in Griekenland verloren gegaan. Evenwel zijn de beide deelen van dien naam als adjectiven in de Grieksche taal opgenomen: Ny is geworden νέος (néos) nieuw, en ἕλλην (hellên) nog bij Suidas bekend in de beteekenis van verstandig. Suidas in voce: ἕλλην, φρόνιμος. Vandaar hebben de Grieken den naam Hellenen aangenomen d. i. verstandigen. Toen later bij de Grieken de oorsprong van dien naam in de herinnering verflaauwde, hebben zij die herkomst gehuld in het gewaad der Mythe van Phrixus en Helle, de kinderen van Nephele en Athamas, die op een ram met gouden vacht het land ontvluchten om aan de lagen hunner stiefmoeder Ino te ontkomen. Maar ook in die Mythe schuilt nog een donkere herinnering aan het verleden. Phrixus, phrygs, is een naklank van Fryas; Helle herinnert aan Nyhellênia, en Nephele aan het land der Nevelen, dat land in het verre onbekende westen of noorden, vanwaar de Friesen gekomen waren, terwijl Athamas (gen. Athamantis), zamengesteld uit âthe en man, te kennen geeft, dat die mannen als vrienden gekomen en ontvangen waren.

 Bl. 98. r. 8. v.o. lik  âtha vntfongen. Zie over de komst der Joniers in Attica Herodotus L.I.c.145 en Strabo L.VIII. p. 383. Die Joniers zijn vreemdelingen, daar gekomen onder aanvoering van Jon, den zoon van Xuthus.
 Xuthus nu beteekent blond, zoodat dit alleen zeggen wil dat Jon een blond man was, tot het ras der blonde menschen, d.i. tot Fryas volk behoorde.
 B.G. Niebuhr, Vörtrage überalte Geschichte, B.I.S.227: die ionische Einwanderung in Attica erscheint als eine freunliche Aufnahme der Flüchtigen."

[blz. 25]
 Bl. 104, r. 1. v.b. thrvch tha stréte. Strabo L.I. 37. Eratosthenes schrijft, dat eertijds het land bij de zuilen van Hercules nog niet was doorgebroken, en dat toen bij de landengte van Pelusium de buitenzee (Indische Oceaan) met de Middellandsche zee vereenigd was, daar deze, hooger dan de landengte, die met hare wateren bedekte; maar dat later toen bij Gades de rotsen waren doorgebroken, de waterspiegel der Middellandsche zee gedaald is en het land bij den berg Casius, Pelusium en verder tot aan de Roode Zee heeft blootgelegd.
 Van een vroeger hoogeren waterstand der Middellandsche zee weet ook Pomponius Mela te spreken L.I.6. Meer landwaarts in en vrij verre van het strand van Numidie, worden vischgraten, stukken van oesterschelpen, rotsen door den golfslag afgeschuurd, in de klippen bevestigde ankers, en andere dergelijke kenteekenen gevonden, die bewijzen, dat eertijds de zee zich tot die plaatsen heeft uitgestrekt."
 In de boeken van Moses en Josua kan men den loop der veranderingen volgen, waardoor de Landengte van Pelusium ontstaan is. De straat, die eerst de natuurlijke grens tusschen Egypte en Arabie uitmaakte, heet:
 Gen. XV.18. Nahar Mitzraïm, de stroom van Egypte.
 Exod. XIV. 1, legert Mozes zich bij Pihachiroth, den mond der zeeëngte (nabij het Serapeum).
 Exod. XV. 22 en XXIII. 31, wordt daarbij gesproken van Jam Suph, het Biesmeer, later de Bitter-meeren.
 Num. XXXIV 5. is het hiet meer Nahar maar Nachal Mitzraïm, het Dal van Egypte.
 Josua XIII. 2. wordt dit dal, die drooge bedding, Shichor de zwarte grond genoemd.
 Josua XV. 4. komt weder de naam Nachal Mitzraïm voor, het Dal van Egypte.
 In den tijd die verloopen is tusschen de gebeurtenissen van Exod. XIV. (1564 v.Chr.) en die van Josua XV. heeft dus
[blz. 26]
die verandering van dit terrein plaats gegrepen. Op bl. 464 blijkt dit het jaar 1551 v.Chr. geweest te zijn.

 Bl. 104. r. 2. v.b. Pangab. Opmerkelijk is het dat deze naam, waaronder men in later tijd het Land verstaat, de Pentshab, hier alleen voorkomt als den naam der Rivier. Ook in de latere geschriften van Ljudgért vindt men steeds den naam Pangab gebruikt, en nooit Indus, niettegenstaande deze naam aan Herodotus reeds bekend is uit den periplus van Skylax en Karyanda.

 Bl. 104. r. 12. v.o. Ulysus. Tacitus Germ. 3. Sommigen meenen, dat Ulysses op zijn langen fabelachtigen zwerftocht ook in deze zee is gevoerd, het land van Germanie bezocht en Asciburgium, dat aan den oever van den Rijn gelegen en nog eene bewoonde stad is, gebouwd en benoemd heeft. Men zegt ook, dat een altaar aan Ulysses gewijd, waarop ook de naam van zijn vader Laertes voorkomt, voorheen op die plaats is gevonden, en dat er monumenten en grafsteenen met Grieksch letterschrift op de grenzen van Germanie en Rhaetie nog aanwezig zijn.

 Bl. 106. r. 2. v.b. Utkikbored. Onder de Basreliefs uit de bouwvallen van Niniveh, afgebeeld bij H.A. Layard, komt de afteekening voor van een schip, dat grootelijks verschilt van den vorm der Phenicische schepen. Het is voorzien van eene mars of mastkorf, waarvan het profil gelijkt op het benedenste gedeelte van een menschen aangezicht; eene terugwijkende kin en vooruitstekende onderlip. Deze overeenstemming is te zeer in het oog vallend, om daarbij niet aan een Friesch schip te denken. Het schip heeft de gedaante van een zeepaard, gelijk aan die welke den wagen van Neptunus trekken. De Noordsche volken gaven veelal aan hunne schepen de gedaante van een dier, onder anderen ook van eene zeeslang, Sanâka of Snâka, waaraan bij lange
[blz. 27]
smalle schepen de naam Snikke ontleend is. Zie de platen bij Hofdijk, Ons Voorgeslacht.
 Stralo II.99 deelt mede, dat ten tijde van Cleopatra, Eudoxus in de Aethiopische zee een stuk van een wrak vond, bestaande in een voorsteven versierd met een gebeeldhouwde paardekop, en dat dit te Alexandrie herkend werd, als afkomstig van een Gaditaansch schip, en dat de kleinere schepen van Cadix paarden genoemd werden naar de beelden aan de voorsteven.
 Vergelijk den naam hengst voor een soort van schepen in Zeeland.
 Zulke schepen bezochten de havens van Phenicie toen Niniveh nog in bloei was en de Assyrische Koningen hunne strooptochten uitstrekten tot Cyprus, 8 eeuwen v.Chr.
 Bl. 106. r. 7. v.b. en Skryver. Verg. Homerus Odyssea. VIII. 163. φόρτου μνήμων de oude uitleggers verklaren dit door de Scheepsschrijver, die boek houdt van de lading, en vertalen φόρτου μνήμων door vecturae memor, d.i. die het Memoriaal houdt.

 Bl. 108. r. 15. v.b. uta Sulverlóna, dat zijn de Zilvermijnen van Laurium.

 Bl 110. r. 4. v.b. Skênlandis ásterdél, Zweden.

 ,, r. 5. ,, wra berga, in Noorwegen.

 ,, ,, ,, wr-n sè, in Denemarken.

 ,, r. 10 ,, 100 jêr lêden, 591 + 100 = 691 v.Chr.

 Bl. 110, r. 11. v.b. ysere wépne, gevonden in grafheuvelen op Bornholm.

 Bl. 112. r. 10. v.o. kém thene Magy selva. Deze Magy (koning van Denemarken) was volgens Worp van Thabor
[blz. 28]
Chronicon L.I.C.V. Frotho I de 9e koning van Denemarken; over wien Saxo Grammaticus L. II. p. 74. Ed. Müller.
 Zie beneden de noot bij bl. 246.

 Bl. 116. r. 20. v.b. aend kèthe. Diergelijke profetien van Moders, en Gallische Druidessen vindt men opgeteekend bij:
 Suetonius: Vitellius was ook verdacht van schuld aan den dood zijner moeder, als of hij verboden had haar in hare ziekte voedsel te reiken, daar eene priesteres der Catten (de burgtmaagd van Kattaburch), aan welke hij als aan eene godspraak geloof sloeg, hem voorspeld had, dat zijn keizerschap dan bevestigd en langdurig wezen zoude, als hij zijne moeder overleefde.
 Flavius Vopiscus, Aurel: 44 meldt, dat Aurelianus eens Gallische Druidessen (van het eiland Sena) geraadpleegd had, vragende of het keizerschap bij zijne nakomelingen zoude verblijven; en dat zij geantwoord hadden, dat geen naam in den staat roemruchtiger zijn zoude dan die der nazaten van Claudius.
 Flavius Vopiscus, Numer: 13. Toen Diocletianus bij de Tongeren in Gallie in eene herberg vertoefde, terwijl hij nog in lageren rang diende, en met eene Druides de rekening van zijne dagelijksche verteering opmaakte, zeide deze: Diocletianus, gij zijt ook wat al te zuinig, al te spaarzaam. Daarop zoude Diocletianus in scherts, niet in ernst, gezegd hebben:
ik zal het wat ruimer nemen als ik Keizer wezen zal. Na dit woord zoude de Druides gezegd hebben: scherts niet  Diocletianus, gij zult Keizer zijn, als gij een wild zwijn (Aprum) zult gedood hebben.
 Aelius Lampridius, Alexander Severus. 60. Toen Alexander Severus ten strijde trok riep eene Druides hem in de Gallische taal toe: Ga heen, maar hoop niet op de overwinning, en stel geen vertrouwen in uw krijgsvolk.

 Bl. 148. r. 10. v.o. into thaet wellande hef. Ook
[blz. 29]
Saxo grammaticus vermeldt van Frotho I: hij is omgekomen niet door geweld van wapenen, maar door de zwaarte van zijne wapenrusting en ligchaam, in de golvende zee (aestu strangulatus).

 Bl. 118. r. 10. v.o. forth hêser sin brune skild an top. Bij Saxo Grammaticus L.III. p.116 komt ook de uitdrukking voor: zijn schild aan den top van den mast hangen, waarbij is aangeteekend: die zijn schild boven het hoofd opheft, ontbloot zijn ligchaam; vandaar beteekent het omhoog heffen van het schild, dat de wapenen neergelegd, en de vrede gevraagd wordt. Dit werd genoemd: at halda upp fridskildi — at bregda upp fridskildi, het vredeschild ophouden, opheffen. In de Annales Fuldenses ad annum 882, wordt gezegd dat de Noormannen om de vrede voor gesloten te verklaren, de gewoonte hadden van het schild op te hangen.
 Bij Saxo Grammaticus L.V. p.231 geeft men door het schild in de mast op te hijsschen het teeken dat er makkers en bondenooten komen.

 Bl. 124. r. 8. v.o. twyia thritich déga, tweemaal dertig dagen d.i. twee maanden. Uit deze woorden kan men besluiten dat bij de oudste Friesen de maanden dertig dagen telden, en hun jaar een zonnejaar was van 12 maanden, met 5 (of zes) overschietende dagen tijdens den winter zonnestand, bestemd voor en gewijd aan het juulfeest. De oudste Egyptische jaarverdeeling was volkomen dezelfde, in 12 maanden van 30 dagen en 5 daaraan toegevoegde (Epagomenen) gewijd aan Godsdienstige feesten, de geboortedagen van Osiris, Arveris, Typhon, Isis en Nephthys. Zie Plutarchus de Iside et Osiri.
 Eenige namen van maanden komen voor op bl. 158.

 Bl. 124. r. 8. v.o. De bewoners van het noorden (Zweden, Skénland) hebben zeer vroeg den duur van het zonnejaar kun-
[blz. 30]
nen bepalen, daar zij als van zelf het tijdstip van den winter zonnestand moesten waarnemen, d.i. den dag waarop des middags de zon slechts even aan den horizon verscheen zonder zich daar boven te verheffen.

 Bl. 128. r. 17. v.b. héde min burch fám orlovi, vergel. bl. 60-2 sy mêi thát dva.
 Bvta tha landpâla, zie de aanteekening bij bl. 44.

 Bl. 130. r. 9. v.b. gürbâm. Zeer ten onrechte heb ik gemeend door dit woord een muziekinstrument te moeten verstaan en vertaald zakpijp.
 Dr. H.R. Snijder te Oostzaan heeft mij de opmerking gemaakt dat gürbâm letterlijk is geurboom, d.i. de Mei- of haagdoorn, wegens de welriekende bloesems bij de Mei- of lentefeesten gedragen. Ik houd dit voor volkomen juist en zie nu dat dit Meifeest met de bloeijende haagdoorn in gedachtenis gebleven is door het zingen der kinderen met de pinksterbloem.

 Bl. 130. r. 46. v.b. en wilde bufle, Caesar. B.G.VI.23. De buffels die Urus (Auerochs) genoemd worden, zijn weinig minder in grootte, dan elefanten, en hebben het voorkomen, de kleur en de gedaante van een stier. Hunne kracht en snelheid is groot en zij ontzien noch mensch, noch wild dier, die zij ontmoeten. Men vangt ze in kuilen om ze te dooden. De jongelingen harden hunne ligchamen bij dit werk en leggen zich toe op deze soort van jagt. Die de meesten doodt, heeft de grootste eer. Echter kunnen zij, zelfs al worden ze jong gevangen, niet aan den mensch gewennen en getemd worden. De hoornen zijn groot en wjd van een staande en verschillen veel van de hoornen onzer runderen. De randen dezer hoornen beslaat men met zilver en gebruikt ze als bekers bij groote feestmaaltijden.

 Bl. 132. r. 13. v.b. linnent. Tacitus Germ. 17. De vrouwen dragen meest linnen kledderen, met purper afge-
[blz. 31]
zet. Van de Kimbren schrijft Strabo VII. 291: Met de vrouwen (fâmna) trekken ook de opperpriesteressen (modera) mede ten strijde. Deze zijn grijs van haar, in het wit gekleed, in linnen bovenkleederen (tohnekka) met eene gesp vastgehecht, zij dragen een koperen gordel, en gaan ongeschoeid.

 Bl. 132. r. 15. v.b. paerlum. Pomponius Mela III 6. Brittannie heeft rivieren, waarin paarlen gevonden worden.
 Plinius Hist.Nat.IX.57. Het is bekend dat Brittannie paarlen oplevert, schoon klein en kleurloos.

 Bl. 136. r. 2. v.b. Wr.alda. Vergelijk met deze eenvoudig verhevene leer, het even zuiver Monotheisme, dat de grondslag is van de Indische Godsdienst.
 Brahm, wohl zu unterscheiden van Brama, ist der Name des hoechsten Wesens, welche die Indische Religien erkennt, des eigentlich einzigen Gottes, waehrend alle uebrigen, Shiwa, Vishnu, Brama u.s.w. nur Manifestationen irgend einer seiner Eigenschaften, seiner schöpferischen Allmacht, seiner Weisheit sind. Die hohe Idee, welche die Indier an Brahm knuepfen, geht aus den Beinahmen hervor, mit denen sie ihn belegen, der Höchstvolkommene, der Unendliche, oder wie sie sich ausdruecken, der Anfanglose und Endlose, der Unbeschreibliche, der Allesschauende, die Urseele des Weltalls, lauter Bezeichnungen eines einzigen und hoechsten Gottes volkommen wuerdig. Brahm ist das einzig Bestehende, nur in ihm leben, weben und sind wir. Die Welt, wie sie bestelt, ist nur der Abglanz seinen erhabenen Bildes, und wenn sie aufhört, so geht sie nur zurueck in sein Wesen.
 Vollmer Wörterbuch der Mythologie.

 Bl. 446. r. 5. v.o. nên stjurar men svnnestonde. De Scandinaviers verdeelden den horizon in 4 hemelstreeken; 8 windstreken en 16 uurstreken; of den dag (dagr) in 8 wachten
[blz. 32]
(eijkt) en in 16 uren (stund). Een stjurar stonde is dus gelijk aan 1,5 svnnestonde. Zie Finn Magnussen over de dagverdeeling der oude Scandinaviers, vertaald. Door Jhr. Mr. M. de Haan Hettema. Zie Vrije Fries. II.D. 1e st. bl. 58. Zoo wordt door John Olafsen een onderscheid gemaakt tusschen hora major en minor.

 Bl. 148. r. 13. v.o. Krûdkunde, hêlkunde. De fâmna verpleegden de zieke en gekwetste strijders. Zie Tacitus Germ. 7, ad matras, ad feminas, (to tha moderum ând tha fâmna) vulnera ferunt.

 Bl. 150 r. 4. v.b. Marsâta. Herodotus beschrijft de paalwoningen op het meer Prasias in Macedonie, L.V.16. De Paeonen wonen op het meer Prasias in dezer voege. Er staan in het meer steigers, of planken vloeren op hooge palen, die slechts door eene brug een smallen toegang van den oever hebben. De palen waarop de vloeren rusten, zijn eerst door de geheele bevolking geheid. Doch later kwam het in gebruik, dat ieder man voor elke vrouw die hj trouwde, drie palen moest heijen, aangevoerd van het gebergte Orbelus. Zij wonen daar op deze wijze: Ieder heeft op die steigers zijde hut, waarin hij zijn verblijf houdt, met een valluik waardoor hij in het meer kan afdalen. De kleine kinderen binden ze met een touw aan het been vast, opdat zij niet bij ongeluk in het water vallen. Aan hunne paarden en ander vee geven ze visschen tot voeder. De overvloed van visch is zoo groot, dat iemand slechts zijn valluik behoeft te openen, en eene ledige mand aan een touw in het water te laten zakken, om die na eene korte poos gevuld met visschen weder op te halen.

 Bl. 150. r. 7. v.b. Zie voorts over de paalwoningen: Die vorgeschichtliche Zeit van Sir John Lubbock. Th.I.cap. 6. en over Leeuwen in Europa Th.II.cap. 1. Der Höhlen-Löwe, felis spelaca, war durchschnittlich grösser als unsere heutigen Löwen. Overbljfselen daarvan zijn gevonden in de beenderen-
[blz. 33]
grotten in Frankrijk, Duitschland, onder anderen bij Blaubeuren in Zuid Beijeren aan de grenzen van Tyrol, in Italie en op Sicilie.
 Voorts J.L.Th.II.S. 248. Die Schweizer Pfahlbauer hatten nicht nur dan Hund, sondern auch Ochsen, Schweine, Schafe, und viellicht sogar Pferde. Sie befleissigsten sich bereits des Ackerbaues und waren mit der Kunst des Webens vertraut.

 Bl. 150. r. 7. Swarte grislika lâwa. Herodotus L.VII. 125, 126 bericht, dat in Macedonie de kameelen bij het leger van Xerxes door leeuwen werden aangevallen, en dat in Noord-Griekenland van den Nestus tot aan den Achelous zeer vele leeuwen werden aangetegen. Verg. Plinius, H.N.VIII, 17.
 Als in den tijd van Herodotus de leeuwen in het noorden van Macedonie nog zoo menigvuldig waren, kan het geen verwondering baren, dat honderd jaren vroeger, toen Apollonia schreef, die roofdieren langs de Illirische en tot in de Zwitsersche Alpen zwierven.
 Voor de wetenschap is het niet onbelangrijk te vernemen, dat de leeuwen in Europa tot het zwarte ras behoord hebben.

 Bl. 152. r. 10. v.b. mith hringum. Diod.Siculus.V. 27. (De Kelten) maken een overmatig gebruik vàn goud voor den opschik en niet alleen de vrouwen, maar ook de mannen, want om de boven- en benedenarmen dragen zij armbanden, om de halsen zware halsketenen van massief goud, voorts kostbare ringen aan de vingers, ja zelfs hebben zij gouden borstharnassen.

 Bl. 152. r. 4. v.o. anda wiva vrlêten hâve. Tacitus Germ. 15. Zoo vaak zij niet ten strijde uittrekken, brengen zij den meesten tijd in ledigheid of op de jacht door, en laten de zorg voor huis en akkers aan de vrouwen en grijsaards over.'

[blz. 34]
 Bl. 156 r, 3 v.b. fon thêr burch Ljudgârda. Van den beginne af dat ik mij met de bestudering van het O.L.B. heb bezig gehouden, heb ik mij de vraag voorgelegd, waar toch die Burcht Ljudgarda kon gelegen hebben, waarvan door het geheele boek sprake is. De andere burchten waren gemakkelijk weer te vinden; de Fryasburch op Texel, Stâvia te Staveren, Mêdêasblik te Medemblik, Forana te Vroonen, Lydasburch te Leiden, Walhallagâra op Walcheren, Minnagardaforde te Munster, Kâtsburch te Kassel, Nyfryasburch te Freiburch in den Brisgau, Aken te Aken, Godasburch te Gothenburch, Buda te Buda-Pesth, Kadik te Cadix; maar Ljudgârda en Lindahêm, wist ik niet met genoegzame zekerheid aan te wijzen.
 Op bl. 134 wordt gesproken van het Krylwod als in de nabijheid van de Ljudgârda, en dat Krylwoud houdende voor het bij onze kronijkschrijvers zoo bekende Kreilerbosch, zocht ik de Ljudgârda in de nabijheid van Staveren en Medemblik. Doch op den duur is mij gebleken, dat die veronderstelling tot geene uitkomst leidde, en ik daarmede op een dwaalspoor mij bevond. Ik moest dat Krylwod als plaatsnaam opgeven en het woord opvatten in zijne eigenljke betekenis als kreupelhout.
 Nu vestigde ik mijne aandacht meer bepaald op het gene Frêthorik schrijft bl. 156: To Ljudwardia bin ik to âsga kêren. Ljudwardia is en ny thorp binna thene ringdik fon thêre burch Ljudgârda. Hier deed zich de vraag voor: Is dat Ljudwardia dezelfde plaats als Ljudwerd, waar Liko in 803, en Ljuwert, waar Hiddo in 1256 schreven; met andere woorden: heeft dat alles ook betrekking op Leeuwarden? Welk verband kan er bestaan tusschen Leeuwarden en de burcht Ljudgârda?
 De Heer van Leeuwen schrijft in zijne kanttekeningen bij it âde Friesche terp, bl. 396: op 't oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri en Hamconius zeggen, dat reeds 200 jaren voor Christus, Leeuwarden onder den naam van Aula Dei, dat is Gods Hof, bekend
[blz. 35]
was, alwaar het opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de leerschool der Friezen en genoten zij onderwijs in de godsdienst, wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan en uitstekende mannen hebben voortgebracht. Latere schrijvers verwerpen dit denkbeeld geheel en al. Wat er van zij, is moeijelijk op te sporen en nog moeijelijker te beslissen.'
 Verg. Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, deel I, bl. 19 en 24, en aantt. bl. 278, enz.
 Mij komt het voor, dat de boven aangehaalde plaats uit het Oera Linda boek de duistere zaak opheldert en de betwijfelde vraag beslist. Wel zijn er in Germanie nooit Druiden geweest, en kan in het voor Christelijk tijdperk geene plaats in Friesland een Latijnschen naam gedragen hebben, waarvan ook Ocka Scarlensis niets weet, die geene Druiden of Aula Dei noemt doch Cappidus heeft eene flaauwe herinnering overgeleverd van den ouden toestand, dien wij in het Oera Linda boek terugvinden.
 Ljudwardia, zoo schrijft Frêthôrik in de eerste helft der derde eeuw voor Christus, is een nieuw dorp binnen den ringdijk der burcht Ljudgârda.
 Die Ljudgârda was de burcht, waarvan Apollonia als Burchfâm eene uitvoerige beschrijving heeft nagelaten, en die na de Fryasburch op Texland de grootste van alle burchten moet geweest zin. (bl. 148). Zij beschrijft mede uitvoerig de school, waar de meisjes onderwezen werden, die tot fâm werden opgeleid. (bl. 148). Het schijnt, dat ook jongens aan dat onderwijs deelnamen, (bl. 26 en 34) en Frêthorik vermeldt dat hj als knaap onderwijs genoten heeft van den Burchtschrijver, vooral in het lezen en schreven. (bl. 156.)
 De ontzettende watervloed, die zich (bl. 158) over geheel Fryasland had uitgestrekt, en alle burchten, met uitzondering van de Fryasburch op Texland, verwoest, had beoosten het Fly dertig zoute meeren doen ontstaan, en bewesten het Fly wel vijftig (bl. 166.) Onder die in Oost-Flyland ook de groote plas,
[blz. 36]
die Frêthorik bij zijne terugkomst uit de Saxanamarken vindt, (bl.158) en waardoor de Ljudgarde was vernield, In dit zoute meer mogen wij de Middelzee herkennen.
 Frêthorik heeft een begin gemaakt met een nieuw dorp te stichten binnen den ringdijk der verwoeste burcht. Zijn zoon Konerêd vangt zijne opteekeningen (bl. 194) aan met de beschrijving van de uitbreiding, die dit dorp reeds gekregen heeft door de volhardende vlijt zijner inwoners, en hoe zij in zijnen tijd al bezig zijn met de palen in het water te heijen om eene haven aan te leggen.
 Bij de latere opslijking van de Middelzee is natuurlijk die haven verdwenen, maar niet zoo de herinnering van die voormalige haven, en de plaats waar zij eenmaal was, is genoemd de oude haven, thju âlde have, de olde hove. Maar in die latere eeuwen, na den tijd van Karel de Groote, heeft men den oosprong van dien naam niet meer geweten, en er Aula Dei, of met eene verdubbeling Aula Dei Hof van gemaakt.
 Te meer gaf men aan die plaats den naam van oude haven, omdat er in vervolg van tijd eene andere haven was aangelegd als nieuwe haven, die in de 13e eeuw nog bestond, en aangeduid is op de kaart van Eekhoff, Beschrijv. van Leeuwarden, I, bl. 34.
 Van hier ook de onderscheiding van de kerk tot Oldehove te Leeuwarden en de kerk tot Nyehove, d.i. de kerk, die bij de oude haven en die welke bij de nieuwehaven te Leeuwarden stond.
 Dat die haven van Ljudwardia aan de Middelzee lag, blijkt ook uit hut verhaal van Konerêd (op bl. 200), hoe er onverwachts drie schepen bij den ringdijk kwamen aanleggen, die door den inbraak onzer landen verdwaald en de Flymond waren misgevaren.'
 Die schippers kwamen uit Séland, Denemarken, en onbekend met de veranderingen dezer kusten, waren zij zeker bij de Lauwers ingevaren, denkende dat zij zich reeds bij den ingang van
[blz. 37]
het Flie bevonden. Zoo waren zij in de Middelzee verzeild en bij Ljudwardia aangekomen. Hier ontving hen Konerêd en stelde hen in de gelegenheden om te paard onder goed geleide hunne reis naar Staveren te vervolgen. Dit gebeurde nog bij het leven van Friso, en dus vóór het jaar 263, v. Chr. Toen was de haven er nog niet, doch dit voorval heeft misschien Konerêd op die gunstige ligging opmerkzaam gemaakt en tot het besluit gebracht van daar eene haven aan te leggen.
 Dit een en ander bewijst:
 1e. dat de burcht Ljudgârda gelegen was ter plaatse, waar nu Leeuwarden ligt;
 2e. dat die burcht door het ontstaan cler Middelzee verwoest is omstreeks het jaar 310 voor Chr.;
 3e. dat het dorp Ljudwardia het begin is geweest van Leeuwarden, en de oorsprong onzer stad opklimt tot voor het jaar 1888 nadat Atland verzonken is, of 305 voor Christus. (bl. 160);
 4e. dat de schrijvers van het Oera Linda boek alle te Leeuwarden geleefd en gewoond hebben, gelijk Liko en Hicldo oera Linda daar nog woonden;
 5e. dat men den inhoud van het Oera Linda boek met recht mag noemen: de prehistorische geschiedenis van Leeuwarden.
 Aan den anderen kant blijkt hieruit:
 1e. dat hetgene onze kronijkschrijvers berichten van eene school der Druiden te Oldehove en van de opperpriesters bestuurders dier school tot op den tijd van kabbel den Groote, tot het gebied der sage behoort; en 2e. doch dat die sage haren grond heeft in de blijvende herinnering aan de burcht Ljudgarda, die voor het ontstaan van Leeuwarden zich hier ter plaatst heeft bevonden.

 Bl. 160. r. 42. v.o. inna tha grâte husa thêr to fâra tha fâmna sêten hêde.
 Zulke vrouwenhuizen beval Karel de Groote met vlas, wol, weede, purperwormen, roode verw, wolkammen, pers- en
[blz. 38]
strijkijzers, kaarden, zeep, talk en andere tot het vervaardigen van manufacturen noodige zaken te voorzien. Dirks, Koophandel der Friesen, bl. 137.
 Bl. 162. r. 5. v.o. barnpila. Livius XXI. 8. De falarica was bij de Saguntijnen eene werpspies, met een schacht van dennenhout; deze was rond behalve aan het einde, waar het ijzer uitstak, dat was vierkant, met werk omwoeld en met pik doortrokken. De spies had een drie voet lange ijzeren spits, en werd brandende afgeschoten met eene kraanboog.'

 Bl. 164. r. 14. v.o. fonut sin dêibok.
 Vergelijk het aangeteekende bij bl. 90. De inhoud van Liudgêrts dagboek wordt bevestigd door het reisverhaal van Nearchus, gedeeltelijk bewaard bij Arrianus, de expeditione Alexandri.
 Nearchus zegt, dat het land tusschen de armen van den Indus. Pattala heette in de Indische taal, doch in de taal der bewoners zelve Delta; waaruit volgt dat die bewoners Friesen waren, die het lage land de delte (d.i. lêgte, laagte) noemden. Vervolgens noemt hij ook hunne stad Pattala, doch daarin vergist hij zich, want Arrianus (Periplus Erythraei maris) noemt Minnagara als de stad van Pattalene. Verg. mijne inleiding pag. XIV. Bij Nearchus komen wel de namen van Wichhirte en Liudgert niet voor, maar hij onderscheidt hunne personen als opperbevelhebber en onderbevelhebber, ἄδχων en ὓπαρχος, voor Witkaening en Skelta bithêre nacht.

 Bl. 164. r. 14. v.o. (vervolg). Q. Curtius, L.IX.8., van de Pattaleners schrijvende spreekt, van een koning: Hun koning MOERIS had de stad verlaten en was naar het gebergte gevlucht. Hoe komt hij aan dien koning? Zijne berichtgevers hadden zeker die Pattaleners (Gêrtmannen) wel hooren zeggen dat Moderis réd wnnen wrde, en daaruit begrepen dat
[blz. 39]
die met het hoogste gezag bekleedde persoon den naam Moderis droeg, of wel met verkorte en zamengetrokken uitspraak, moeris. Zoo hebben zij, en wel Curtius zonder het te weten, ons het bericht overgeleverd, dat bij die Gêrtmannen ook eene Burchfám als Moder was. Wellicht is zij die Dêla jeftha Hellénia geweest, van wier hand wij later een geschrift over Buda aantreffen.
 Met die verkorting van Moder tot Moer, kan men vergelijken wat H. Cannegieter, Diss. de Brittenburgo, p. 25 schrijft: De Galliers en Germanen vereerden beschermgodinnen van het land of gewest, welke zij Matres, Matronas of Mairas noemden.
 Mr. J. de Wal, de Moedergodinnen, bl. 1 en 3, leest in de opschriften ook Diis Mairabus, Deabus Mairabus. Uit die vorm Maira is het Fransche mère ontstaan.

 Bl. 164. r. 6. v.o. wi-bruda hinne. Arrianus L.VI.17. Alexander kreeg bericht dat de onderbevelhebber der Pattaliers met de meesten van zijn volk was weg gevloden en het land had verlaten, en daarom voer hij met des te meer spoed derwaarts."

 Bl. 164. r. 1. v.o. Sêr kindlik snakkande. A.VI.17. De opperbevelhebber der Pattaliers kwam bij Alexander en droeg zijn land, zich zelve en al het zijne aan hem op, doch Alexander herstelde hem in zijn gebied en beval hem alleen alles gereed te maken tot de ontvangst van zijn leger."

 Bl. 166. r. 13. v.b. lêt tha skêpa hâla. A.VI.17. Toen hij te Pattala kwam vond hij de stad en het land ledig van bewoners. Daarom zond hij eenige troepen om de vluchtenden na te jagen, en toen hij eenigen van hen gevangen had, zond hij deze naar de anderen om hun te verzekeren, dat zij gerust konden terug keeren, want dat het hun geoorloofd was hunne stad te bewonen en hun land te bebouwen als te voren. En de meesten van hen keerden terug."

[blz. 40]
 Bl. 166. r. 9. v.o. hêder thêr of skêpa mâkad. A.VI.18. Hj liet dus andere schepen bouwen, en zond licht gewapende troepen naar de streek, die nader bij de kust gelegen was; daar trof hij eenige yan de Indiers aan, die hem verder den weg wezen.'

 Bl. 166. r. 8. v.o. nw wilde er selva sêkêning wertha. A.VI.19. Hij zelf voer den mond van den Indus uit, en zeilde den Oceaan in, zeggende dat hij wilde zien of er nog een ander land in de nabijheid in die zee gevonden werd. Doch ik houd het er voor, dat het voornamelijk was, om te kunnen zeggen, dat hij op de groote zee nog verder dan Indie gevaren had.'

 Bl. 166. r. 5. v.o. timberhlota. A.VI.18. Daar liet Alexander eene werf en scheepstimmerschuren aanleggen.
 en VI.20. Hephaestion was aangesteld, om te zorgen voor den aanleg van de werf en het bouwen van de timmerschuren.

 Bl. 168. r. 7. v.b. vmb en ny thorp to makjande. A.VI.20. Terugkeerende op de schepen voer hij naar Pattala en liet eene andere werf en andere scheepstimmerschuren maken.'

 Bl. 168. r. 8. v.b. vmbe êne burch to bvwande. A.VI.18. Hj beval Hephaestion te Pattala eene burgt te bouwen.
 en 19 weer naar Pattala terugkeerende bevond hij, dat de burgt gebouwd was.'

 Bl. 168. r. 15. v.o. ny gertmanja. in Carmania, Arrianus Hist. Indica c.33. Zij kwamen aan eene plaats Neoptana, en 100 stadien verder bij de rivier Anamis en de stad Harmozia genoemd. Daar aan land gaande, rusten zij met vreugde eenigen tijd van de vele vermoeijenissen uit.'

[blz. 41]
 Bl. 168. r. 13. v.o. Nearchus gvng wal op. Arrian Exp. Alex. VI 28. Nearchus bereikte de kust van Carmanie, en met een klein gevolg zich naar Alexander begeven hebbende, deed hij hem verslag van alles, wat hij op zijne zeetocht gezien had.'

 Bl. 168. r. 1.3. v.o. ând beide thrja dêga. Alexander zond hem spoedig naar de vloot terug, om verder naar Susiana en den mond van den Tigris te varen.

 Bl. 170. r. 18. v.b. nei thêre nya hâva fon Athenia (den Piraeus) waarheen de Friesen, die vroeger bij tha alda hâve (Phalerus) (of Munichia) woonden, verhuisd waren. Zij woonden daar niet als burgers, maar als medewoners, μέτοιϰοι. Bij de Grieksche schrijvers vinden wij wel gedurig van μέτοιϰοι gewag gemaakt, maar uit die vermelding heeft men nooit kunnen opmaken, wie en wat die μέτοιϰοι eigenlijk waren. Xenophon over de staatsinstellingen van Athene schrijvende bericht alleen, dat die μέτοιϰοι voor den Staat van groot nut waren als handwerkers en zeelieden. In de laatste vooral, in dat schippersvolk, dat de buitenwijken aan de havens bewoonde, mogen wij de Friesen de afstammelingen der volgers van Nyhellenia herkennen. En dat Athene eene der grootste zeemogendheden in de Middellandsche zee geweest is, heeft het aan Friesche zeerobben, sêmomma, te danken gehad. Van het burgerrecht verstoken, bleven zij ook steeds zich als vreemdelingen beschouwen, en daaruit laat het zich verklaren, dat zij zich aan elkander gehouden, hunne nationaliteit en daarmede hunne moedertaal in hun onderling verkeer bewaard hebben.

 Bl. 170. r. 9. v.o. Dêmetrius. Antigonus maakte zich van Phenicie meester, om vloten te kunnen bouwen; zijn zoon Demetrius zond hij tegen Ptolemeus, maar deze werd bij Gaza geslagen (312 v. Chr. Er kwam nu wel eene algemeene vrede tot stand, maar als Ptolemeus Cyprus (Salamis) in bezit
[blz. 42]
genomen had, sloeg Demetrius hem bij dit eiland na een bloedigen zeeslag op de vlucht, (307 v.Chr, doch kon Egypte niet veroveren (306 v.Chr.); hij wendde zich daarop naar Rhodus (305 v.Chr.), belegerde de stad, wier inwoners met Ptolemeus verbonden waren, langen tijd te vergeefs, hierdoor kreeg hj den bijnaam Poliorcetes = stedenbelegeraar. (Dornseiffen, Grieken, p. 210).

 Bl. 172. r. 10. v.b. Dêmêtrius wêre vvl ând vnsêdlik. Zie over de onzedelijkheid van Demetrius, bij Plutarchus, vita Demetrii p. 899, eene lange reeks van schandaden.

 Bl. 174. r. 8. v.b. tha bern dêde lik-ra bifàlen warth. Plutarchus Epilogus ad vitam Antonii, p. 957. Demetrius noodzaakte den schoonsten en zedigsten jongeling der Atheners een einde aan zijn leven te maken om aan eene verkrachting te ontkomen.'

 Bl. 176. r. 3. v o. thrja mônatha. Pytheas zeilde in vier maanden van Massilia naar Thule (Noorwegen). Lelewel Pitheas (1836) p. 37.

 Bl. 180. r. 2. v.o. Frêthorik is 63 jêr wrden. Volgens de opgaven van Frêthorik op bl. 156-160 schijnt te blijken, dat hij in het jaar 1888 na het verzinken van Atland omstreeks 24 jaren oud was, dus geboren in het jaar 1864. Hj leefde 63 jaren, dus tot 1927, en zal dus gestorven zijn in 2193 - 1927 = 206 v.Chr.

 Bl. 184. Buddha geb. 593 v. Chr.
 Bunsen, Aegyptens Stelle u.s.w. Th.Va 176, stelt Buddha geb. 598 en gest. 543 voor Chr.

 Bl. 484. r. 9. v.o. Kasamir. Kashmir was de hoofdzetel van het Buddhisme, zoolang het in Hindostan bloeide d.i. tot dat de Buddhisten door de Brahminen uit Kashmir
[blz. 43]
verdreven zijn, onder Abymahiah, den opvolger van Bradisatora.
 De dienst van Buddha heerscht nog op Ceylon, in geheel Achter-lndie, in Thibet en in China. Al deze volken hebben geene indeeling in kasten, welke de leer van Buddha verwierp. Dit was de eerste en grootste oorzaak van den haat der Brahminen tegen de Buddhisten.
 Heeren. Ideen. Indiers.
 Prof. Max Mueller, redevoering in de vergadering van Duitsche Philologen te Kiel, Sept. 1869, zegt van het Buddhisme o.a.: Es ist nun das eigenthuemliche Schicksal der Religion des Buddha gewesen, dass sie unter allen sogenannten falschen oder heidnischen Religionen fasst allein wegen ihres hohen, reinen, menschenbildenden Charakters von all und jedermann gepriesen worden ist. Man traut kaum seinen Augen, wenn man katholische und protestantische Missionaere in ihren Lobpreisungen des Buddha wetteifern sieht, und es muss selbst die Aufmerksamheit des gegen alles Religioesen Gleichgueltigen auf einen Augenblick fesseln, wenn er aus statistischen Berichten ersieht, wie keine Religion, die christliche nicht ausgenommen, einen so maechtigen Einfluss auf die Vermindering der Verbrechen geuebt hat, als die alte, einfache Lehre des Buessers ven Kagilawastu. Man kann ja in dieser Beziehung keine bessere Autoritaet anfuehren als einen noch lebenden Bischof der römisch katholischen Kirche. In seinem interessanten Buche ueber das Leben des Buddha, spricht nun der Verfasser, der Bischof von Ramatha, der apostolische Vikar von Awa und Pegu, mit einer solchen Offenheit von den Vorzuegen der Buddhistischen Religion, dass man oft nicht weiss, ob man seinen Muth oder seine Gelehrsamkeit mehr bewondern sollte. So sagt er an einer Stelle: Viele von den moralischen Vorschriften werden von beiden Religionen, von der christlichen und der Buddhistischer uebereinstimmend aufgestelt und eingeschaerft, und es darf nicht der Leichtsinn gelten, wenn ich behaupte,
[blz. 44]
dass die meisten sittlichen Wahrheiten, welche das Evangelium leert, auch in der Bibel der Buddhisten zu finden sind. An einer andern Stelle sagt Bischof Bigandet: Wenn man die einzeln Thatsachen im Leben des Buddha liest, ist es unmoeglich dabt nicht an viele Umstaende im Leben unsers Erlösers erinnert zu werden, wie es uns von den Evangelisten beschrieben worden ist.'

 Bl. 186. r. 7. v.o. Jes.us, Jessos, Jess.
 Bij de verdrijving van het Buddhisme uit Kashmir en de verspreiding naar oostelijk gelegen landen, schijnt de naam Jess verloren geraakt te zijn en in de legende plaats gemaakt te hebben voor die van Gautama en Sakyamuni. Doch de invloed van Buddha's leer schijnt zich ook westwaarts verspreid te hebben bij de Vuuraanbidders in Aria, bij de Parsen en bij die in Aderbeidshan, welke laatste (door H. A. Layard nog bezocht) in hunnen naam Yezidis, volgers van Jess, de herinnering aan Buddhas eersten naam bewaard hebben. Desgelijks bij de Slavonische volken, waaronder de Oud-Poolsche Mythologie den naam Jess geeft aan de hoogste Godheid en tevens aan de schitterendste en grootste der planeten, Jupiter.
 Fo is de in China gebruikelijke naam van Buddha.
 Krisen. Buddha wordt in Indie voor de negende Awatera (menschwording van Vishnu gehouden en beschouwd als eene voortzetting van de Awatera van Krishna, zoodat Buddha geacht wordt de herleefde Krishna te wezen.
 Herder. De koning Kamsa sloot zijne zuster en schoonbroeder in de gevangenis, en ieder kind, dat Dewagni ter wereld bracht, werd door den koning vermoord, tot dat het zevende Bala Rama en het achtste Krishna door goddelijke hulp gered werden.
 Krishna werd overgegeven aan Ysodha, de vrouw van den schaapherder Randa. Hj groeide op onder de herderinnen op de velden zijns pleegvaders. En zijde eerste echtgenoot, ge-
[blz. 45]
kozen toen hij nog het herdersleven leidde, was Rahda de menschgeworden Godin der schoonheid, Lakshmi.
 Vollmer, Wörterbuch der Mythologie.
 In het Epos Mahabbarata is de sluwe Krishna vooral onder den naam Gowinda, koeherder, bekend. De Gita Gowinda (zang des herders) heeft tot onderwerp de jeugd van Krishna, hoe hij als herder onder de herderinnen vertoefde. Rahda, de schoonste van deze, acht zich veronachtzaamd, om de liefde, die hij aan eene andere bewijst. Zij ontboezemt haar leed in klachten; felle hier vriendinnen wordt de bemiddelaarster en voert Krishna tot haar terug.
 Heeren. Ideeën. Indiers.
 Bûda. Buddha, Gautama, de oprijzende, een koningszoon van Kagilawastu bij dan Himalaja, werd de stichter eener nieuwe leer, die spoedig algemeen werd verbreid, en op de meeningen van het oosten een krachtigen invloed uitoefende. Buddha vernietigde met een geweldiger slag het Brahmaansche wereldstelsel, daar hij den geheelen Godenhemel met Brahma loochende, de heilige kracht der Wedas ontkende; in de plaats van de gruwzame onthouding, van offers en reinigingswetten, eene zedeleer van welwillendheid, barmhartigheid en menschenliefde jegens alle schepselen aanbeval, en de kasteninrichting met den hoogmoed der hoogere standen door de leer der gelijkheid van alle menschen vernietigde. Maar binnen den kring der Indische gedachten gebannen, zag ook hj in het dooden van alle hartstochten en begeerten, in een werkeloos leven vol lijdelijke deugden het doel van het aardsche bestaan. Buddha deed afstand van zijne hooge waardigheid en trok zich in bedelaarsgewaad terug naar eenzame wouden, waar hij onder zware boeten en kastijdingen de eeuwige waarheid uitvorschte. Toen hij eindelijk verlicht werd, trad hij als leeraar en godsdienststichter op. Hij leefde echter niet gelijk de wijzen onder de Brahminen in de eenzame woestijnen, maar trok door eenige leerlingen vergezeld naar het land van den Ganges en verkon-
[blz. 46]
digde zijne leer van de smart der wereld en hare genezing. Hij wendde zich niet tot de hoogere standen, zooals de Brahminen, maar tot het geheele volk, zonder onderscheid, tot de ‘tweemaal geborenen’ zoo wel, als tot de Sjoedra en Tandala; hij leerde de zelfde wet der genade voor allen en trok daardoor de lage en verdrukte standen tot zich, daar deze door hem verlossing van de banden en van den dwang der kasten verwachtten. De leer van de gelijkheid aller menschen, de belofte van het verwerven van eeuwige rust deer een leven vol deugd en menschenliefde, en de bevrijding van de phantastische stelsels en van de werkheiligheid der hoogmoedige Brahminen, maakten een onuitsprekelijken indruk. Gelovige jongeren, even als hun meester in een geel bedelaarsgewaad omzwervend, verbreidden ziine leer met goed gevolg van Himawat tot Ceilon, en groote gebouwen (stoepa’s) met kloosterachtige huizen voor bijeenkomsten van zijne aanhangers, die zich van de wereld afzonderden, verrezen in grooten getale.
 De talrijke Buddhapriesters hielden een bespiegend werkeloos leven voor heilig en verdienstelijk, trokken zich uit het praktische leven en het verkeer met het volk terug, stichtten orden en ordeshuizen (kloosters) en zochten zich door onthouding van alle genot, door ongehuwd leven (coelibaat), door het afstand doen van alle aardsche goederen en door het nakomen van vele bijgeloovige gebruiken, gebedsformulieren (rozenkrans) en handelingen van vrome werkheiligheid (processien, boeten, bedevaarten) tot heiligen te verheffen.
 G. Weber, Handboek der algemeene Geschiedenis, 1e stuk, bl. 54-56.

 BL. 186. r. 5. en Fryas stjurar. Volgens deze voorstelling zoude een Fries, dus een Geertman, een belangrijken invloed op de denkbeelden van Buddha gehad hebben. Hoe vreemd dit ook klinke, toch vindt het eene bevestiging bij Strabo.
 Als Strabo XIV p. 712 in zijne beschrijving van Indie over
[blz. 47]
de Brahminen en Buddhisten handelt, noemt hij de eersten Brahmanen en de laatsten Germanen. Hoe kan Strabo dit schrijven als hij het niet bij zijne autheuren gevonden heeft, dat is in de berichten, die Alexanders tochtgenooten hadden medegebracht? Daar nu hier Megasthenes zijn berichtgever is, en deze de Buddhisten Germanen noemt, moet hem bekend geweest zijn, dat er een verband bestond tusschen de leer der Buddhisten en die der Geertmannen, Als gezant van Seleucus Nicanor aan het hof van Sandrocottas verklarende, kwam hij in aanraking met de Braminen, die de Boeddhisten als ketters verfoeiden en vervolgden, en waarschjnlijk hen voor Geertmannen uitscholden. Dan ligt in dien schimpnaam een verwijt opgesloten, dat Buddha aan die Geertmannen (voor de Brahminen onreine vreemdelingen) zijne leer ontleend had.
 De groote tempel van Kennery is aan Buddha gewijd. Onder de kleine reliefs, die toneelen uit het leven voorstellen, is er een, waarop de voorsteven van een schip, met vreemdelingen bemand, is afgebeeld. Zoude niet deze voorstelling betrekking hebben op dien Fryas Stjurar?

 Bl. 198. R. 11. v.b. Kavch thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna Kaening.
 Wichhirte, de koning der Geertmannen, had zich gevestigd aan de Emvda, aan de mond van de Eems, bl. 164. De Geertmannen woonden dus in Oostfriesland. Zijn zoon Kauch is hem opgevolgd, en na dezen zijn de Geertmannen later Cauchen genoemd.
 Tacitus Germ. 35. In de eerste plaats komt het volk der Cauchen, dat bij de Friesen aanvangende eene streek van de kust bezet, en zich uitstrekt tot de grenzen van alle deze volken, die ik reeds heb opgenoemd, totdat het zich keert naar de Catten (tot aan de Lippe). Zulk eene uitgebreide landstreek bewonen de Cauchen, niet alleen, maar vullen zij ook en zijn het aanzienlijkste volk der Germanen."
[blz. 48]
 Tacitus gebruikt reeds den naam Germanen voor de gezamenlijke volken van dan Rijn tot aan de Weichsel. Hij wist niet meer dat het de oude en eerste naam der Cauchen geweest was. Doch Caesar B. G. I. 31 noemt nog Ariovistus den koning der Cauchen, die over dan Rijn getrokken en in het land der Eburonen gevallen was, rex germanorum, en kent de Germanen dus nog als een afzonderlijk volk.
 Dus de Geertmannen = Cauchen, in Oost-Friesland en Munsterland, zijn de oorspronkeljke Germanen, wier land, volgens Tacitus, zich uitstrekte van de noordzij, langs de Eems tot aan de Lippe.

 BL. 200. R. 14. v.o. herde êken wod. Caesar B.G.III.12. Hunne schepen zijn geheel van eikenwoud gebouwd."
 Strabo IV. 195 van de schepen der Galliers; de zeilen zijn van leder, wegens de kracht der winden, zij hebben kettingen in plaats van kabels, zijn van platte bodems en hooge voor- en achterstevens voorzien tegen de hooge golfslag, en gebouwd van eikenhout, dat er in overvloed is.’

 Bl. 2O2. r. 9. v.b. mith ysere kêdne. Caesar B.G.III.12. De ankers zijn met ijzeren ketenen, in plaats van met touwen bevestigd.’
 Tacitus schrijft van de schepen der Suionen (in Zweden) Germ. 44: de vorm der schepen onderscheidt zich daardoor dat een voorsteven aan beide einden altijd den boeg gereed geeft om te landen; zij besturen het schip niet met zeilen en hechten ook niet de riemen in ene rei langs de zijden, maar zij hebben eene losse manier van roeien uit de vrije hand, even als menop sommige rivierendoet, en kunnen het roeijen naar gelang van omstandigheid veranderen in de eene zowel als de andere richting. (pagaayen).'
 Tacitus Annal. II. 6. Duizend schepen schenen voldoende en werden haastig gebouwd, sommige kort, met smalle voor-
[blz. 49]
en achterstevens en eene breede romp om vaster op het water te liggen, andere lang met platte bodems, om zonder nadeel op de ondiepten te loopen; de meeste met een roer aan beide einden, om door de riemen plotseling anders om te bewegen in beide richtingen te landen; vele waren voorzien van een dek, waarop zij kraanbogen voerden, en tevens paarden konden vervoeren; alle vlug in het zeilen en snel in t roeijen."

 Bl. 2O2. r. 1.0. v.b. wêrskêpa. Dirks, Koophandel der Friezen. bl. 140. Men had in het Noorden schepen, Hêrskip genoemd, die 200 man konden bevatten, hunne gedaante was dikwerf nagebootst naar het beeld: b. v. van een draak, eene slang enz., dat den voorsteven versierde.’
 Ook zulke vormen van schepen ontmoet men op de basreliefs van Niniveh bij H. A. Layard, schoon weinig in getal, te midden van eene menigte Phenicische schepen van geheel andere constructie.

 BL. 204. r. 1. v.b. Kattaburch. De naam Kattenburg bestaat nog te Kassel.
 Op eene fâm van deze burcht doelt Suetonius Vitell. 1.4. Catta mulier.

 Bl. 210. r. 8. v.b. in sin âjn land, d. i. op ny fryasburch, Freiburg in Zwaben en wel in den Brisgau Verg. bl. 150.

 BL. 210. r. 16. v.b. Gêrtmannia  alsa  hêdon  tha  Gêrtmanna  hjara  stat  hêten. Volgens eene mededeeling van den heer ten Doornkaat Koolman te Norden, is de geslachtsnaam German in die streek nog in verscheidene oude boerenfamilies in gebruik gebleven en bewaard. Terwijl die naam bijna nergens anders voorkomt als juist in het noorden van Oostfriesland.

 BL. 2I2. r. 6. v.b. Diodorus Siculus V. 28, zegt van de Franka: Zij zijn rijzig van gestalte, zacht en blank van
[blz. 50]
vleesch, Hun haar is niet alleen van natuur blond, maar zij leggen er zich op toe om door kunstmiddelen die natuurlijke eigenschap te verhoogen; want zij bestrijken het haar aanhoudend met een aftreksel van kalk, om het doorschijnend te maken, en trekken het van het voorhoofd terug naar de kruin, zoodat hun uitzicht op een Satyr of Pan gelijkt; want door die behandeling wordt het haar hard. en dik als paardehaar. Sommigen scheeren den baard weg, anderen laten dien groeijen. De aanzienlijker scheeren de wangen glad, maar het benedenste gedeelte van het gelaat niet , zoodat de mond geheel bedekt is."

 Bl. 22O. r. 2. v.b. frjundskip sworen. Men vindt dit in lateren tijd nog terug bij de Zweedsche vikingen als sich Fosterbruderschaft schwören. Strinnholm Wikingszuege der alten Scandinavier, Th.II.S.261: "Auszeichnend fur diese Zeiten ist die sogenannte Fosterbruderschaft der Alten. Junglinge, welche ulster Kinderspiele mit einander erzogen worden waren, oder Kampfer, welche an Entschlossenheit, Sterke und Muth, in Waffenubungen u.s.w. ein ander gleich waren, gingen mit eilander die nachste Freundschaft ein, und knupften mit einander eine Vereinigung, die eben so fest end bindend war, wie das bruderliche Band. Man nannte dasselbe sich Fosterbruderschaft schwören.
 Die Fostelbruderschaft war eine Vereinigung von Mannern die einander geschworen Latten, sowohl in allen Abenteuern und Gefahren des Kampferlebens, auf dem Meere und auf dem Lande, als auch in allen Verhaltnissen des burgerlichen Lebens stets Einer des Anders Gut, Ehre untl Leben zu schutzen und zu vertheidigen, end nie Zwietracht unter sich auf kommen zu lassen."

 Bl. 228. r. 8. Alfêder. Lucanus Phars. I, 445, noemt b ij de Kelten de hoogste Godheid Teutates, d.i. thiothis tât, volksvader.

[blz. 51]
 Bl. 228. r. 11. v.o. mâm - tât. In de Oud Friesche wetten zijn de woorden, tat en mâm geheel verdwenen en vervangen door feder en moder. Zie de vergelijkende Taalproeve. Ook is daar barn reedsvervangen door kynd, welk woord in het O.L.B. alleen voorkomt op bl. 172, kindar en wel in den mond van Frisos vrouw te Athênia, en dus een woord van vreemden oorsprong is.
 Deze spraakvormen strekken ten bewijze, dat het Oera Linda Boek van veel ouder dagtekening is, dan de Oud Friesche wetten.
 Maem en Tât, zijn woorden die de Grieken en Romeinen ook gekend hebben. Martialis Epigrammatum, L.I. 101.
 Mammas atque tatas habet Afra. id est: ut puella videretur, more infantium patrem tatam apellabat, matrem vero mammam.
 Ook op Inscripties komt het voor:
 M. ELPIDIUS PAMPHILUS PLATONI TATAE SUO BENE MERENTI FECIT. Tata graece τάτα et τέττα, Bij Homerus τέττα γέρων.
 Sic et mamma, gr. μάμμα.
 Inscr.: MAMMAE PIENTISSIMAE.

 BL. 234. r. 2. v.b. Swarte Adel were thene fjurde kening after Friso. Hier zal wel gelezen moeten worden: thene fjurde kening fon thjuse nome after Friso.
 Hieruit maak ik op, dat deze Adel IV de opvolger en zoon geweest is van eenen Friso en een kleinzoon van Adel III. Bij de oude en nog bestaande gewoonte om den oudsten zoon naar zijn grootvader te noemen, kan de rei der koningen volgens de geslachtsljst deze geweest zijn:
 Friso 303 - 263 v. Chr.
 Adel 263 -
 Friso II.
[blz. 52]
 Adel II.
 Friso III.
 Adel III.
 Frist IV.
 Adel IV. Asega Askar, Swarte Adel.
 De gelijkheid der namen kan de oude Friesche Kronykschrijvers, in de eerste plaats Occa Scarlensis, in de war en tot eene dwaling gebracht hebben, waardoor zij drie Frisos tot een Friso en drie Adels tot een Adel hebben zamen gevoegd en den vierden Friso tot een Ubbo hebben gestempeld.

 Bl. 244, r. 6. v.b. Alsa  skilun  hja  slâvona  bânda vmbe hjara halsa krêja. Die slâvonabânda vindt men vermeld in het Jus Municipale Frisonum, 4e Deel p. 67. (Ed. Hettema Aldeer efter kaes Magnus den lettera kerre ende alle Fresen oen syn kerre iechten: Dat ma die Fresen da wittha (holtena witta of dae halse spaende, ende dat de emmermeer wolde wessa friherren, di berna en di oenberna.
 Vergelijk Winsemius, fol. 89.

 Bl. 246, r. 12. v.b. thes  kâning his  toghter  Frêthogunsta. Deze koning is geweest Frotho III, over wien Saxo Grammaticus uitvoerig schrijft Lib. V; verg. daarbij de aantt. van Muelller, p. 173. Deze Frotho werd genaamd Frotho hin Frothgode (de vreedzame).
 Het Chronicon Erici zegt: in de tijden van hem is Jesus Christus geboren.
 Hetzelfde zegt Saxo Grammaticus L.V, p. 225: In dien tijd is de Zaligmaker der wereld geboren.
 Frotho III was dus een tijdgenoot van Askar, en aan zijn bijnaam Frithgode is de naam zijner dochter Frêthogunsta ontleend.
 Suff. Petrus, de Orig. Frisiorum, p. 317 zegt: Het laatste levensjaar van Frotho III is het eerste van Christus.
[blz. 53]
 p. 306. Frotho III is gestorven in den ouderdom van 57 jaren, nadat hij 50 jaren koning geweest was.
 p. 294. Frotho III is de 28e koning van Denemarken geweest.
 p. 328. Frotho I, de 9e der Deensche koningen, heeft tot aan de monden van den Rijn de geheele kust geplunderd, en dit is de eerste onderwerping van de Friezen door de Denen geweest.
 Van den Magy op bl. 112 vermeld, Frotho I tot Frotho III zijn dus 20 Deensche koningen geweest in een tijdvak van (20 x 30) ongeveer 600 jaren. Dit strookt zeer wel met de tijdsbepaling op bl. 110 aangegeven 591 v. Chr.

 Bl. 248. r. 11. v.o. êne êle flâte wnnen. Dit feit behoort waarschijnlijk tot de geschiedenis der zeeroovers, tegen welke Pompejus den oorlog gevoerd heeft in het jaar 64 v.Chr. Plutarchus, vita Pompeji p. 632.

 Bl. 248 onderaan. bukpin. De cholera is reeds door A.C. Celsus beschreven Lib.IV.11, ten tijde van Tiberius.

 Bl. 252 onderaan. Wêron thêr mânniska tham. Met deze woorden breekt pag. 200 - 12 (212) van het HS. af; al het overige is verloren gegaan.

 Het HS. is oorspronkeljk niet gepagineerd geweest. De paginatuur is in veel later tijd, door eene geheel andere hand met geheel andere inkt daaraan toegevoegd, met letters die een anderen vorm hebben als de cijfers, welke hier en daar in den tekst voorkomen en afgebeeld zijn op plaat II.

[blz. 54]

TOEGIFT.

GERMANEN.

 Bij geen Grieksch of Latijnsch schrijver vóór Caesar wordt de naam Germanen aangetroffen, doch met Caesar treedt plotseling in de geschiedenis een volksnaam op, die tot dusverre een zoowel linguistisch als historisch raadsel is: Germani. De Romeinen gebruiken dien als een algemeenen (collectief naam voor de volken, die begrensd worden door den Rijn, de Weichsel en de Donau. Voor Caesars tijd, of liever voor Caesars oorlogen in Gallie, werden ook die volken ten oosten van den Rijn begrepen onder den algemeenen naam van Galli, en nog a. u. 698 zegt Cicero (orat. de prov. cons. van de Kimbren en Teutonen sprekende: "Die zelfde Cajus Marius, wiens uitstekende dapperheid de groote en treurige rampen van het Romeinsche volk is te hulp gekomen, heeft ook de tallooze scharen van Galliers, die in Italie stroomden, gestuit."
 Hoe is Caesar aan dien naam gekomen? Waar hebben de Romeinen dien naam gevonden? en wat beteekent die naam Germani? Dat zijn vragen, waarover veel en velerlei geschreven is, en die juist door de verschillende en uiteenloopende antwoorden blijken nog onbeantwoord te zijn. Men heeft dat antwoord altijd gezocht op taalkundigen weg, door de beteekenis van het woord Germani te zoeken. Strabo VII, 290, schrijft daaromtrent: Terstond aan de overzijde van den Rijn achter de Kelten oostwaarts wonen de Germanen, die weinig van de Kelten verschillen, slechts door wat mindere beschaving,
[blz. 55]
wat grooter ligchaamsbouw, en wat blanker kleur, maar overigens aan de Kelten gelijk zijn in gelaatstrekken, zeden en levenswijze. Daarom hebben, dunkt mij, de Romeinen te recht hun dien naam gegeven, als wilden zij zeggen echte Galliers, want Germanus beteekent in het Latijn echt.
 Na alles wat over die kwestie geschreven is, komt Prof. Adolf Holtzmann (Kelten und Germanen, Stuttgard 1855 tot dat antwoord van Strabo terug. Het is dus een onderzoek, dat reeds 18 eeuwen geduurd heeft.
 Leopold Contzen (die Wanderungen der Kelten, Leipzig 1861 noemt dit echter: ene weitgesuchte Hypothese! Denn läge nach römischen Sinne der Begriff: ächt in Germani, so könnte es nicht ohne Hauptwort stehen, und die Consequenz erforderte, dass man nellen den ächten Kelten auch die unächten unterschiede, von Celtae adulterini ist jedoch nirgends die Rede. Strabon aber hielt das Wort für lateinisch und übersetzte es nach seiner Auffassung, was für seinen Ursprung nichts beweist. Im Gegentheil nannte Caesar die Fremdlinge, wie er es von den Galliern hörte. Von vornherein ist die Annahme unstatthaft, Ariovist habe 14 Jahre in Gallien mit seinem Volke gewohnt, ohne einen Namen zu führen."
 Contzen erkent dus in den naam van Germani den naam van een volk, doch verklaart de herkomst van dat volk en dien naam verder niet.
 Caesar, B.G.31 noemt Ariovistus Rex Germanorum, en vermeldt, dat die Germanen van de overzijde des Rijns in Gallie waren ingedrongen.
 Eerst zijn van dezen 15 duizend den Rijn overgetrokken, en toen die onbeschaafde menschen behagen kregen in het land, de beschaving en den rijkdom der Galliers, zijn er meer overgekomen, en nu zijn zij in Gallie ten getale van meer dan 120 duizend."
[blz. 56]
 Doch waar zijn nu die Germanen over den Rijn getrokken? Dit blijkt uit een gezegde van Tacitus (Germ. 2: Doch de naam Germani is een nieuw woord en sedert kort in gebruik, omdat zij die het eerst over den Rijn getrokken de Galliers verdreven hebben, en thans Tungren heeten, vroeger Germanen genoemd werden.
 Dus had het Overrijnsche volk, dat bij Caesar Germani heet, ten tijde van Tacitus den naam Tungri aangenomen. Bij Caesar komt den naam Tungri nog niet voor. De naam der Tungri is bewaard gebleven in Tongeren, en wijst aan, dat die Germanen eerst in het Limburgsche gevallen en dus op de hoogte van Wesel, ten noorden van de Lippe, over den Rijn getrokken zin. Daaruit volgt, dat zij uit het Eemsland zijn gekomen. Maar de oude geographie kent daar geen Germanen, gelijk zij in Germania geen afzonderlijk volk onder dien naam kent. Van de Luppia af noordwaarts wonen de Chamaven, Bructeren en de Cauchen. En daar Tacitus (Germ. 35 schrijft, dat de Cauchen, populus, zooals hij zegt, inter Germanos nobilissimus, hun gebied uitstrekken tot aan de Catten, zoo moeten de Chamaven en Brukteren ook tot de Cauchen gerekend worden. Dit komt daarop neer, dat die Germanen van Ariovistus uit het land der Cauchen herkomstig zijn. Moet men nu besluiten tot de identiteit van Germanen en Cauchen?
 Een bevestigend antwoord op die vraag geeft thet Oera Linda bok.
 In het verhaal van de terugkomst der Geertmannen uit Indie bericht Frêthorik, zie bl. 164, "Wichhirte gvng mith sinum ljudum âstward nei thêre Emude." Konerêd bericht, bl. 198, dat zijn broeder getrouwd is met Kornhèlja de jongste dochter van Friso, en dat Friso zijne oudste dochter Wêmod uitgehuwd heeft aan Kauch, en vervolgt dan: Kauch thêr âk bi him to skole gvng, is thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna kâning.
[blz. 57]
 Later vermeldt hij (bl. 210: Gertmannja alsa hêdon tha Gêrtmanna hjara stât hêten, thêr hja trvch Gosa hira bijeldinga krêjen hêde."
 Zoo heeft Wichhirte de koning der Geertmannen zich aan den mond der Eems nedergezet, waar de naam E-mude nog als de oude naam van Emden bekend is. Naar de Geertmannen hebben zij het land Geertmannia genoemd. Wichhirte is opgevolgd door zijn zoon Kauch, naar wien vervolgens de Geertmannen ook Kauchen genoemd zijn, onder welken naam zij in de latere geschiedenis voorkomen. Doch van het land is nergens een naam Kauchia vermeld. Het land moet derhalve nog den naam Geertmannia behouden hebben, die evenwel als zoodanig naa. (als speciaal naam aan de Romeinen niet ter ooren schijnt gekomen te zijn, daar zij alleen spreken van het land der Cauchen. Trouwens, zoo doen zij bijna overal en noemen wel de volksstammen, maar niet de landstreken.
 De Geertmannen - Cauchen - hebben hun gebied langs de Eems uitgebreid tot aan het land der Catten toe, d.i. Oost-Friesland en Munsterland, tot aan de Lippe (van 303 - 71 v.Chr. Veertien jaren voor Caesars komst in Gallie is Ariovist, rex Germanorum, koning der Geertmannen, met 15,000 man over den Rijn getrokken en heeft zich meester gemaakt van Kleefsland en Limburg, enz. tot aan de Seine toe. De Haeduers klagen bij Caesar, dat Ariovistus de koning der Germanen het derde gedeelte van het land tusschen den Rijn en de Seine vermeesterd had. Daar hebben zij volgens Tacitus hun naam Germanen met dien van Tungren verwisseld.
 Hadden de Geertmannen (Zie O.L.B. bl. 104) zich dien naam eerst gekozen, omdat hunne Moeder (opperpriesteres den naam Geert droeg, in dien naam lag nog gene andere beteekenis opgesloten, want Gêrt beteekende een zwaard, en Gêrtmanna zwaardmannen. Doch na hunne bliksemsnelle
[blz. 58]
veroveringen in het noorden van Gallie noemden zij zich Tungara (Tungri) van Tungar, de donder.
 Naar hunnen naam hebben de Romeinen den linker Rijnoever Germania Cisrhenana genoemd, en verder den naam Germania uitgestrekt over het geheele land van den Rijn tot aan de Weichsel, als Germania Transrhenana.
 De slotsom van dit alles is, dat de Oost-Friezen de eerste en oorspronkelijke Germanen zijn.

[blz. 59]

BLADVULLING.

Wie heeft het Oera Linda Boek geschreven?

 Het Oera Linda Boek is niet geschreven door Cornelis over de Linden. Het handschrift is niet van zijne hand.
 In zijne briefwisseling met mij, was dikwijls sprake van oud-Friesche woorden, die hij dan in oud-Friesche letters uitdrukte.
 Deze letters waren zeer gebrekkig gevormd, en verschilden hemelsbreed van het zuivere, vaste, en gelukzalige schrift van het oude Handschrift.
 Elk, die deze brieven inziet, ontwaart bij den eersten oogopslag, dat de schrijver daarvan niet de vervaardiger van het Handschrift wezen kan.
 Toen hij eenige bladzijden poogde te kopiëeren, die daarna in handen van Dr. Verwijs zijn gekomen, was hij niet in staat dit anders te doen, dan door een blad doorschijnend mail papier op het origineel te leggen en de letters een voor een na te trekken. - Met dien moeilelijken en tijdroovenden arbeid vond Dr. Verwijs hem ook nog bezig.
 De zoo verkregene facsimiles zijn echter ook nog zoo verschillende van het Handschrift, dat klaarblijkelijk de vervaardiger van deze nabootsing niet tevens de vervaardiger van het origineel heeft kunnen wezen.
 Met een woord, Cornelis over de Linden is niet in staat geweest dat Handschrift te schrijven.
[blz. 60]
 Wat meer is, hij heeft het Handschrift niet kunnen lezen. Van de 34 karakters, die daarin voorkomen, kon hij 20 herkennen wegens hunne overeenkomst met den vorm van onze gedrukte kapitaal-letters. Daardoor had hij op de tweede bladzijde van het H.S. gemakkelijk kunnen onderscheiden de woorden: SKREVEN - ACHTHONDRED - LIKO - OVIRA LINDA; en daaruit besluiten dat zijn familienaam reeds in het jaar 800 moest bestaan hebben.
 Doch de 14 overige karakters waren hem onbekend. En deze zijn het, die ik hem heb leeren kennen en onderscheiden.

[blz. 61]

DE PANDSCHAB KOLONIE VAN HET OERA LINDA BOK,
door J.F. Berk,
Zwolle. H.C. Dröse, 1877.

 Bij dit boekje moet ik mij tegen den titel verzetten. Het OLB kent geen land met den naam Pandschâb, maar alleen eene rivier Pangab. Wat wij Pandschab noemen, is het land aan den boven-Indus tot aan het punt, waar de vijf rivieren zich tot een stroom vereenigen. Doch daar, aan den boven-lndus, hebben de Friezen onder aanvoering van hunne Moeder Geert, zich niet neergezet. Dat was ook onmogelijk.
 Door de straat van de Roode Zee gevaren en de Indische Zee ingezeild, kwamen zij toch niet aan de bronnen van den Indus, maar aan de monden van deze rivier, en hier, aan dan beneden-lndus, in de Delta, in de laagte, hebben zij hunne woonplaats gevestigd en zijn zij gebleven.
 Hier in het land, door de Grieken Pattalene genoemd, woonden zij ook nog, toen Alexander fon boppa (van den boven-lndus allingen thêr strâm (langs den midden-lndus hunne thorpa (aan den beneden-Indus) kêm bifàra. Zij hebben dus altijd in die Delta gewoond, en wil men die aan den Indus gevestigde Friezen (Gêrtmanna eene kolonie noemen, van eene Pandschâb Kolonie kan er in het OLB geeft sprake zijn.
 Hiermede vervalt terstond al wat de heer Berk, op grond van zijne veronderstelling, in de eerste veertien bladzijden van
[blz. 62]
zijn betoog geschreven heeft.Dat alles heeft met het OLB niets te maken. Die kampstrijden van Ariers en Turaniers (zoo die historisch zijn aan den boven-lndus gingen de Friezen aan den beneden-Indus volstrekt niet aan en geheel buiten hen om.
 Omtrent den verderen inhoud der brochure van den heer Berk, vermeen ik te kunnen volstaan met te verwijzen naar mijne brochure: De Deventer Courant en het Oera Linda Boek, bl. 1-13, en naar die van den heer L.F. Over de Linden: Beweerd, maar niet bewezen, bl. 37-39.
 De geheele redenering van den heer Berk berust op twee ongerijmde veronderstellingen: 1e. dat de Friezen aan den Indus in de Pandschab zouden gewoond hebben; 2e. dat het O.L.B. het werk zoude zijn van een schrijver en wel van iemand uit de tegenwoordige eeuw. Het eene is even onbestaanbaar als het andere. Het O.L.B. is alleen begrijpelijk, wanneer men het neemt, zooals het zich voordoet, d.i. als eene verzameling van stukken uit verschillende tijden en oorden, door verschillende personen opgeteekend, die, in eene familie bewaard, een soort van familie-archief uitmaken.
 Eene zevenjarige onafgebroken bestudeering van dat boek en alles wat er over geschreven is, heeft mij steeds in deze overtuiging bevestigd.
 De taal van het Oera Linda Boek strookt niet met de taalkundige begrippen van den heer Beckering Vinckers, Dat wil ik gaarne gelooven. De oud-Friesche wetten doen dat evenmin.
 Zij strookt ook niet in allen deele met de Friese spraakleer van Rask en Hettema (1832).
 Deze is getrokken uit de oud-Friesche Wetten en Landrechten, die, uit verschillende oorden van het oud-Friesche vaderland herkomstig, even zoo vele dialecten vertegenwoordigen, en alle in taalvormen en spelling van elkander verschillen. Maar daarom kan men niet eischen, dat andere geschriften zich ook naar die zelfde spraakleer zullen voegen.
[blz. 63]
 Van het Oera Linda Boek moet de Grammatica nog gemaakt worden. Daartoe moeten alle grammaticale verschijnselen, welke in de verschillende daarin vervatte geschriften voorkomen, verzameld, geschift en geordend worden.
 Zulk een arbeid vereischt eene studie van vele jaren en jeugdige krachten, maar die taak moet ik op mijnen leeftijd aan anderen overlaten.

Dr. J.G. OTTEMA.
   
[achterkaft]

Door den Boekhandelaar H. Kuipers te Leeuwarden is uitgegeven:

THET OERA LINDA BOK.
Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.
Eigendom der Familie OVER DE LINDEN, aan den Helder,
bewerkt, vertaald en uitgegeven door
Dr. J.G. Ottema.
Tweede Uitgave,
Prijs f.4.00

De Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek
door Dr. J.G. Ottema.
Prijs 30 Cents.

De Deventer Courant en het Oera Linda Boek
door Dr. J.G. Ottema.
Prijs 35 Cents.

BEWEERD MAAR NIET BEWEZEN.
Bestrijding van de Argumenten voorkomende in de Brochure
van den Heer J. Beckering Vinckers
over het Oera Linda Boek,
door L.F. Over de Linden.
Prijs 40 Cents.