24 March 2016

PDF opinion De Haan Hettema 1871 Leeuwarder Courant

Leeuwarder Courant, 5 Sept. 1871;
author Mr. Montanus de Haan Hettema (full text see below)



OUD FRIESCH HANDSCHRIFT, 
in het bezit van den Heer C. OVER DE LINDEN te Helder.

 Bij mijne tehuiskomst van mijn jaarlijksch uitstapje, op den eersten Augustus, vond ik, onder andere, op mijne tafel, "Verslag omtrent een overoud Handschrift bij het Friesch Genootschap, uitgebracht door Dr. J. G. OTTEMA"; op den omslag vond ik mijn naam. Ik begreep dus dat mij dit door den verslaggever ten geschenke gegeven was.

 Als uitgever van de tot nu toe bekende Handschriften in de Friesehe Taal, van de OUDE FRIESCHE WETTEN, die ik met uitzondering van het Asegabuch, dat ik evenwel te Oldenburg doorbladerd heb en de Willküren der Brocmänner, — alle in het oorspronkelijke bij de uitgave gebruikt heb, trok dit verslag, na het gelezen en herlezen te hebben mijne bijzondere aandacht, zoodat ik den Heer O. bij brief van 6 Augustus in de eerste plaats voor het geschenk mijnen dank betuigde en verder vroeg, om, zoo mogelijk, dat Handschrift in het origineel ter inzage te mogen hebben.

 Dientengevolge had ik het genoegen den Heer 0. den volgenden morgen bij mij te zien, die mij te kennen gaf, dat dit Hs. reeds weder in het bezit van den Heer C. OVER DE LINDEN was, en hij dus niet in de gelegenheid om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat hij daarvan photographiën had laten maken; dat, indien ik daarvan inzage wilde nemen, ik die ten zijnent kon zien.

 Naar aanleiding hiervan begaf ik mij den daarop volgenden morgen naar den Heer O., alwaar ik, toen die photographiën gezien heb, terwijl de Heer O. tevens de beleefdheid had mij eenige passages uit zijn afschrift voor te lezen en mij nader, omtrent zijne zienswijze, in dezen in kennis stelde.

 Dat men nu in den tijd van twee uren, die wij daarmede doorbrachten, de zaak niet anders dan zeer oppervlakkig konden nagaan en die bijeenkomst mijne belangstelling nog meer had opgewekt en er verder over had nagedacht, verzocht ik den Heer O., bij schrijven van 11 Augustus, om zijn afschrift eenige dagen ter inzage te mogen hebben en ook de photographiën, waarop het Alfabet van dat Hs. gevonden werd.

 Den 13 Augustus ontving ik op den mijnen dit antwoord:
"dat hij aan mijn verzoek niet wel zonde kunnen voldoen, als zelf dagelijks met niets anders bezig zijnde. Dat, zoo ik nadere kennis met den aard van het schrift en de algemeene regelen van de spelling wilde maken, dat er dan drie gephotografeerde bladzijden verkrijgbaar zijn bij Mejufv. Matthijssen."
  Er bleef mij dus niets anders over, indien ik iets naders van het Hs. met betrekking tot de oudheid en de taal wilde weten (de inhoud van het geheel is tot nu toe een geheim voor mij), dan mij bij die Dame te vervoegen, door wier bezorging ik eenige dagen later die drie gephotografeerde bladzijden ontving.

 Mijne beschouwingen zijn dus op die drie bladzijden gegrond.

 Volgens het Nieuws van den Dag van 23 Augustus 1871 en volgens de Leeuwarder Courant van den 27 Augustus 1871, die het uit de Bildtsche Courant heeft overgenomen, zoude de Heer G. COLMJON, Archivaris van Friesland, dit Hs. voor ONECHT houden, hoofdzakelijk op grond, dat de stijl veel te nieuwerwetsch is.

 Uit het verslag van Dr. O., waarvan een uittreksel in het Bijvoegsel van de Leeuwarder Courant van 29 Augustus 1871 voorkomt, zie ik, dat Dr. VERWIJS van oordeel was, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht geschrift was, waarvoor hij vreesde.

 Dr. O. zegt in dit Verslag, dat hij, toen hij het afschrift inzag, in het onzekere was; doch toen hij facsimilés van een paar fragmenten, en later het Hs. zelf onder de oogen kreeg, het eerste gezicht daarvan hem terstond gerust stelde omtrent de oudheid van het geschrift. Verder zegt hij van dit schrift, dat het met geene bekende lettervormen overeenkomt, het meest op het Grieksche schrift, zooals het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, gelijkt, en tot den vorm van het lapidair- of steenschrift behoort.

 De eerste twee Geleerden hebben zich om het schrift niet bekommerd, hetgeen men, mijns inziens, in de eerste plaats had moeten doen, omdat het schrift den tijd, waarin het kan geschreven zijn, nagenoeg bepaalt.

 De derde, Dr. O., heeft evenwel laten blijken, dat hij het voor zeer oud aanziet en brengt het tot het jaar 1256.

 Het komt mij voor, dat geen hunner het Hs. met genoegzame oplettendheid gelezen heeft, althans niet, wat ik op de drie photographiën vind. Het is daarom dat ik gemeend heb die drie bladzijden hier vertaald te moeten geven, en tevens mijne opmerkingen daarbij te voegen:

 Zij luiden als volgt:

 Bl. 45. "Wat hier onderstaat is van de wanden van den Waraburch afgeschreven."

 Hierop volgen drie cirkels naast elkander met eene loodrechte lijn doorsneden en door twee schuinsche in zes gelijke vakken verdeeld. Om de eerste staat boven aan een stip, vervolgens nevens het midden van ieder vak eene letter, aldus: W. R. A. L. D. A.; om de tweede, op gelijke wijze, T. A. N. F. A. N. G. (de ng als eene letter), om de derde T. B. I. J. I. N. Hierna volgt met eene nieuwe regel:
 "Wat hierboven staat zijn de tekens van het wiel. Dat is het eerste zinnebeeld van WRALDA, ook van het aanvangen of het begin, waaruit de tijd kwam. Dat is de KRUIJER, die eeuwig met het wiel moet omlopen. Daarvan heeft FRIA het standschrift gemaakt, dat zij tot haren text (tex) gebruikte. Toen FASTA Eeremoeder was, heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De witte koning, dat is zeekoning, GODFREIATH de Oude, heeft daarvan afzonderlijke getalnamen (cijfers) gemaakt. Beide voor staand en loopend schrift. Het is daarom niet te druk, dat wij er jaarlijks een feest wegens vieren, wij mogen WRALDA eeuwig dank toe wijden, dat hij zijn geest zoo zeer in onze Edelen (voorouders) heeft laten varen. Onder haren tijd heeft FINDA ook een schrift uitgevonden, doch dat was zoo hoogdravend en vol met vrissels en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan spoedig verloren hebben. Daarna hebben zij ons schrift geleerd, met name de FINNEN de TIJRIERS en de GRIEKENLANDERS, doch zij wisten niet goed, dat het van het wiel gemaakt was en dat het hierom (bl. 46) altijd, met de zon om geschreven moeste worden. Daar te boven wilden zij dat hun schrift onleesbaar zoude wezen voor andere volken, want zij altijd geheimen hebben. Dusdoende zijn zij erg van de wijze geraakt, dermate dat de kinderen de schriften van hunne ouden nauwelijks lezen konden, terwijl wij onze alleroudste schriften even vlug lezen kunnen, als die welke gisteren geschreven zijn.
 Hier is het standschrift, daaronder het loopend schrift, verders de getalnamen (cijfers) op beiderlei wijzen."

 Hier volgt nu het staandschrift, waarvan iedere letter in de bovenvermelde cirkel WRALDA is afgeteekend en onder ieder dezer letters de loopende schriftletter, terwijl in het midden onder aan deze bladzijde wederom de cirkel WRALDA geplaatst is. Op bladzijde 47 begint het staande cijferschrift, en daaronder wederom de cijfers van het loopend schrift en dan volgt er:

 "Dit staat op alle Burgten geschreven," — en verder begint het aldus met de beschrijving van het land:
 "Voor dat de slechte tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon rees hoger en er was zelden vorst en de bomen en heesters (treion) groeiden vrolijk en aangenaam (froegda and nochta), die nu verloren zijn. Onder (among) de graszaden hadden wij niet alleen koorn, haver (liaver, hiaver?) en vruchten, (blide Angs, blad, bled, vrucht), maar ook tarwe (swete, lees: wete, weit, tarwe), die gelijk goud blonk, en die men onder de zonnestralen bakken konde. Jaren werden niet geteld, want het eene jaar was even aangenaam als het andere. Aan de eene zijde werden wij door de zee van WRALDA besloten, waarop geen volk, behalve wij, varen mochte noch konde. Aan de andere zijde werden wij door het brede Twiskland omheind, waardoor het volk van FINDA niet dorste, van wege het dichte woud en wegens het wild gedierte. Naar het oosten (bij morne) paalden wij over het uiteinde van de Oostersche Zee. Naar het westen (bij evind) aan de Middelzee. Terwijl wij, behalve de kleine, wel twaalf groote aangename loopende stroomen hadden, ons door WRALDA gegeven, om ons land gezond te houden en om ons strijdbaar volk den weg te wijzen naar zijne zee. De oevers dezer loopende stroomen werden allengs allen door ons volk bezeten."
 — Tot dusverre de drie photographiën.

 Laat ons thans eens eerst het stand- en dan het loopend schrift beschouwen.

 Hiervoor hebben wij gezien dat FRIA het standschrift en FASTA het loopend schrift heeft uitgevonden en GODFREIATH, de oude, de staande en loopende cijfers. Het Alfabet heeft niet 34 maar 32 letterteekens, en volgen daar aldus:

 A. Ao. Ae. h. Oa. O. U. UU. Oe. E. EE. I. J. IJ. Y. B. P. T. Th. D. F. V. R. N. Ng. M. L. G. K. S. C. X. De cijfers, 0. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

 Wanneer men nu een cirkel gemaakt heeft en daarin een loodlijn en twee schuinsche, links en rechts doorloopende lijnen plaatst, dan krijgt men in dien cirkel eene verdeeling in zessen; langs dezen loodlijn kan men de letters E. EE. I. J. IJ. Y. B. P. T. D. F. R. L. G. K en S, door altijd op die lijnen en op den cirkel te schrijven, vormen en wanneer gij in dien cirkel eene dwarslijn, in plaats van den loodlijn, met de beide schuinsche plaatst, de letters A. h. Oa. V. N. Ng M. en X. De o is de cirkel, de drie u, een halve liggende en c een halve rechtstaande cirkel.

 Behalve de h. Th en F, zijn het alle onze tegenwoordige kapitaal-letters, doch in een verminkten vorm; terwijl de drie A geen dwars-streep hebben en door het onderste van de zes vakken gevormd wordt; de Ae heeft eene verlenging van den tweeden stijl der A, tot halver wege van zijne lijn. De Ao daartegen op gelijke wijze aan den eersten stijl. De h. is daaraan gelijkvormig, maar verlengt zich tot aan den rand van den cirkel, langs die lijn. De Oa bestaat uit den cirkel, waarin de A. onder op de lijn. De uu is de u met een stip daarin en de Oe is de U met een loodlijntje in en op het midden. De EE. is van achter gesloten, terwijl de Grieksche E. open is. De Th. is de straks vermelde h., waaraan zich boven een gebogen dwarslijntje bevindt. De F. bestaat uit eene regte lijn, waardoor in 't midden een streepje schuinsch rechts loopt. De Ng. is de N. op welke een gebogen streep de opening sluit. De G. is een omgekeerde D. De S. is de links geplaatste Z met een schuinschrechts lijntje op de middelstijl. De X. heeft den vorm von een Andreaskruis. De W., zooals wij gezien hebben, ontbreekt hier, doch komt als onze gewone kapitale W. in den tekst voor. Tengevolge van het insluiten van de letter in den cirkel en langs de lijnen hebben geen dier letters voetstukken, zoodat zij er alle als verminkt uitzien, en die zonder twijfel door een boekdrukkersgezel voor defecte kapitalen zullen worden aangezien.
 Zien wij nu het standschrift in, waarmede dit Hs. geschreven is, dan ontdekken wij, dat dit Alfabet door den schrijver niet altijd gevolgd is. Zoo vinden wij de M en N. daar, in plaats van met gebogene, met schuinsche lijnen. De K en voornamelijk de R zeer verminkt. De Z. dikwils zonder het schuinsche lijntje, ook wel misvormd en op eene S. gelijkend. Het hoofd van de P. driehoekig. De V. dikwijls voor de U gebruikt, en de punctuatie zeer slordig en meermalen misplaatst.

 Wij, die meenen eenigzins met de Geschiedenis van het letterschrift, bij de verschillende volkeren van den ouderen tijd in gebruik geweest zijnde, bekend te zijn, moeten verklaren zoodanig geschrift nimmer te hebben aangetroffen en met recht zegt dan ook de Heer O. in zijn verslag, dat het met geen bekende lettervormen (van den ouden tijd) geheel overeen komt.

 Wij houden dus dit Alfabet voor eene uitvinding van dien schrijver en alleen door hem gebruikt. Doch de vraag blijft nu nog overig tot welken tijd kan dit geschrift gebracht worden.

 Deze vraag is m. o. zeer gemakkelijk te beantwoorden; omdat dat antwoord duidelijk in het loopend schrift van FASTA en GODFREIATH, (twee even als FRIA verzonnen namen), gevonden wordt. Het heeft mij zeer verwonderd dat geen der hiervoor genoemde Heeren dit heeft opgemerkt.

 Zien wij nu dit loopend schrift in, dan ontdekken wij terstond, dat het een schoonschrijver was, zoo sierlijk en net zijn die letters en geheel overeenkomende met ons tegenwoordig gebruikt wordend letterschrift. Alleen de E. th. F en Ng. hebben een verdraaiden vorm. Dit schrift kan dut niet vroeger dan uit het begin der achttiende eeuw NA CHRISTUS zijn.

 Dat ik het papier, waarop het Hs. geschreven is, hier niet beoordeel, is zeer natuurlijk, want ik heb het Hs. niet gezien. Mocht ik naar de photografiën oordoelen, dan zoude ik het er voorhouden, dat het zeer dik papier zal zijn; omdat ik er eenige vlekken op vind, die aan de andere zijde niet zichtbaar zijn, althans heb ik daarvan op de volgende bladzijden geen spoor gevonden, dat bij dun papier het geval had moeten zijn.

 Wij hebben nu het uiterlijke van het Hs. beoordeeld, en het er voorgehouden, dat het de proef van oudheid, die men daaraan tracht te hechten, niet kan doorstaan. Laat ons nu eens zien wat de inhoud is.

 Het stuk is in de Friesche Taal geschreven; eene onderscheiding tusschen oud-Friesch en Land- of Boere Friesch ken ik niet. Ik kan alleen eene oudere en nieuwere spelling van die taal, want de uitspraak van het Friesch is nagenoeg nog dezelfde als voor eenige eeuwen, hetgeen dan ook de wereldberoemde taalkenner de Deen Professor R. Rask in zijne Friesche spraakleer heeft aangetoond, door ons de klanken van het Friesch in de Hss. voorkomende, te geven, zoo als die taalkundig behooren uitgesproken te worden, en die thans nog nagenoeg dezelfde zijn.

 Wat nu de spelling in dit stuk voorkomende betreft, deze is, in mijn oog, veel meer overeenkomstig de oudere en zeer regelmatig, en veel beter en regelmatiger, dan van hen, die thans de taal schrijven; zoodat het te wenschen ware, dat men in de hoofdzaak die spelling overnam, dan zoude er meer eenheid in die spelling komen en het oorspronkelijke van de taal, beter dan nu, bewaard blijven. Thans schrijft men het met Hollandsche klanken, en in den hedendaagschen Hollandschen schrijftrant. Doch dit is niet te verwonderen. Geen der latere schrijvers in die taal, Gijsbert Japiks en de Gebroeders Halbertsma niet uitgezonderd, hebben zich volstrekt niet om de spelling van het in de Hss. voorkomend Friesch bekommerd. Alleen T. R. Dijkstra en voornamelijk de te vroeg ontslapen, H. S. Sijtstra waren het, die het spoor der ouden zoo veel mogelijk trachtten te volgen, en de waarde van die spelling niet uit het oog verloren.

 Bovendien vinden wij reeds in onze photografiën eenige thans niet algemeen meer bekende woorden, die in het overige van dit geschrift wel zullen voorkomen en daardoor onze Friesche Woordenschat zouden kunnen aanvullen.

 Ik beschouw het dus in de eerste plaats van belang om dit stuk in den Frieschen tekst door den druk bekend te maken; maar ook in de tweede plaats, — als men volgens het verslag den inhoud aanneemt, die zoo wel uit een Godsdienstig, als uit een Geschiedkundig oogpunt niet van belang ontbloot schijnt te zijn, — dat er dan ook eene Hollandsche vertaling bijgevoegd worde, om ook niet-Friezen met diens inhoud bekend te maken. Ik geloof evenwel, dat het het beste zal zijn, bij uitgave, er geene uitleggende noten bij te voegen, om den druk minder kostbaar te doen zijn en ieder er zelf over laten oordeelen, en dat men alleen onder aan de bladzijden aanteekene, welk Friesch woord men oordeelt in den tekst bedorven te zijn, de tekst evenwel te laten zoo hij is.

 In de Friesche tekst zoude men voor de Ae eene a met achteroverliggend streepje daarboven, voor de Ao een vooroverliggend streepje (accent), en voor de Oa eene O met een kapje ^ er boven kunnen nemen en overigens de gewone letters gebruiken.

 Wellicht zal men in dit werk ook op eene geheimzinnige wijze den naam van den schrijver kunnen vinden. Dat hij meer dan een dagelijksch mensch was, een geleerde en zeer goed met het Friesch bekend, zal wel niemand betwijfelen.

 Het ware dus te wenschen, dat voornamelijk de Leden van de verschillende Friesche Genootschappen, door inteekening eene zoodanige uitgave hielpen bevorderen, en buiten hunne gewone contributiën daarvoor een penningske over hadden, opdat zij niet in naam, maar inderdaad toonen, dat Friesland hun na aan het harte ligt.

 En hiermede neem ik afscheid van de Heeren Liko OERA LINDA en HIDDO OVERA LINDA, en neem de vrijheid de KRODER als Krotos of de Schutter, in den dierenriem te plaatsen.

 Leeuwarden, 1 September 1871.
 De HAAN HETTEMA.

No comments:

Post a Comment